Bijdrage van Alfred van der Burgh

Bijdrage nieuwsbrief september 2021


Spinselpuzzel in de Vreugderijkerwaard

Met insecten hoef je je nooit te vervelen.

Zaterdag 4 september sloten we het seizoen van 6 werkgroep-excursies af in de Vreugderijkerwaard met maar liefst 15 deelnemers. Hoogtepunt was natuurlijk de koninginnenpage die prachtig bleef zitten voor een uitgebreide fotoshoot, met een paar meter verderop de rups.

Wanneer je in de vegetatie speurt naar insecten, ontkom je niet aan galletjes, mijnen, vraat, eierpakketjes, spinseltjes, enz. Dan gaan de koppen bij elkaar en wordt alle aanwezige kennis en wijsheid gedeeld. Dat levert soms vrij snel een naam op, in dit geval wisten we het niet, een wit spinsel. Ik dacht aan een spinnennestje.

Foto: Alfred van der Burgh

Mobieltjes uit de zak, fotootjes naar OBS-identify, die wist er geen raad mee. Eén foto meldde dat het om sluipwespen ging. Ik heb het spinsel meegenomen en in de schuur uitgekweekt.Elke dag even kijken en na 7 dagen kropen er wel 10 “vliegjes” rond van 3 millimeter. Weer foto’s gemaakt en ingevoerd: ‘sluipwesp onbekend’! Ik was blij dat de cirkel rond was.

Foto: Alfred van der Burgh

Toen ik de suggestie kreeg hier een stukje over te schrijven, dook ik in de boeken. Eh, sluipwespen ontwikkelen zich toch juist ín hun gastheer? Vaak een rups. Was het dan geen gal met galwespjes? Eén van de exemplaren heeft het niet overleefd, die heb ik onder de microscoop gelegd om de vleugels te bekijken (foto 3). Galwespen hebben géén pterostigma, de donkere vlek aan de voorrand van de vleugels, deze wèl!

Zonder nu té technisch te worden: wespen met een taille kun je indelen in angeldragers en parasitaire wespen. De laatste groep weer in galwespen (100 soorten in NL), sluipwespen(1200) en schildwespen (1000).

Sluipwespen zijn doorgaans langer dan 5 mm en ontwikkelen zich geheel ín de gastheer.

Schildwespen zijn meestal kleiner en hebben 2 cellen in hun voorvleugel vlakbij het pterostigma.

Bovendien verpoppen schildwespen zich vaak in een eigengemaakt spinsel buiten hun gastheer. 

Alles wijst erop dat we hier te maken hadden met een spinsel van schildwespjes, maar welke???

Ik hoop niet dat je bent afgehaakt. Ik wilde vooral laten zien hoe een spinseltje kan leiden tot een flinke zoektocht. En hoe leuk het is om een gal, cocon of spinsel thuis uit te kweken.

Met insecten hoef je je nooit te vervelen.

Alfred van der Burgh

Wijthmen, 16-9-2021


Bijdrage nieuwsbrief mei 2021

MIERENLEEUWEN in Zwolle e.o. ?

Foto: Alfred van der Burgh

Wie Wijthmen zegt, zegt zand, veel dekzand met afgeronde korreltjes, hier ook wel ‘klapzand’ genoemd. Nou zijn er heel wat mierensoorten die graag hun nest maken in zandgrond zoals de zwarte wegmier (Lasius niger). Die hebben we dan ook genoeg in onze tuin in Wijthmen.

Mieren staan bekend als opruimers, maar worden ook zélf gegeten, o.a. door de mierenleeuw. Veel insecten zien we vooral in het kortdurende volwassen stadium, denk aan een libel die soms 4 jaar onder water leeft en na het uitsluipen slechts enkele weken rondvliegt. Zo is het ook met de mierenleeuw, die zelfs wat lijkt op een libel, maar tot een heel andere orde behoort: de netvleugeligen. Het grootste deel van haar/zijn larve leven leeft het onder de grond op jacht naar o.a. mieren. Ze doen dat op een heel bijzondere manier: met hun grote kaken graven ze zich in in los, droog zand zodat er een trechtervormig kuiltje ontstaat.

En nu maar wachten tot er een mier langskomt en naar beneden glijdt. Soms zal een mier vervolgens snel weer naar boven klimmen, jammer voor de mierenleeuwlarve. Toch geeft deze zich nog niet gewonnen: even slingeren met de kaken en een paar zandkorrels naar de mier gooien, waardoor deze alsnog ten prooi valt aan de leeuwenkaken, wordt verdoofd en leeggezogen.

Vorig jaar trof ik in de zomer een dode volwassen mierenleeuw aan in onze tuin, geen idee waar deze vandaan kwam. Tot ik een paar weken geleden onder een afdakje tussen de stenen een hele serie kuiltjes vond, nee toch . . . ?

Foto: Alfred van der Burgh

Een exhauster is een buisje waarmee je insecten op kunt zuigen zonder ze direct binnen te krijgen. Zo heb ik uit 3 kuiltjes wat zand opgezogen en binnen op een wit bord gelegd. Al snel zag ik wat beweging: 3 larven met gigantische kaken die tot mijn verrassing alleen maar achteruit liepen, wel logisch achteraf.

Op waarneming.nl staan slechts heel weinig meldingen van mierenleeuwen in Zwolle e.o. Zelf ben ik wel benieuwd of er hier in de omgeving wel meer te vinden zijn onder afdakjes of overhangende takken. Onze tuin zal toch niet de enige zijn . . .

Alfred van der Burgh

alfredbur@hetnet.nl

Lieveheersbeestjes in februari

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is knnvzwlievwbs-682x1024.jpg

Als kind was ik al gecharmeerd van lieveheersbeestjes, wie niet?

Wanneer ik er in onze tuin in Helmond één of meerdere vond stopte ik ze in een luciferdoosje, een paar ligusterblaadjes erbij en af en toe even kijken. Ik vroeg me af waarom ze nooit honger hadden, de blaadjes bleven puntgaaf.

Pas veel later leerde ik dat er maar weinig lieveheersbeestjes vegetarisch zijn. Vrijwel alle soorten zijn rovers, ze eten plantenluizen, veel, honderden! Zowel de larve als het imago (volwassen).

Ook leerde ik al vrij snel dat kleine exemplaren nooit groter worden en dat het aantal stippen op de dekschilden niets zegt over de leeftijd. Toen ik deze week deelnam aan een online IVN-coördinatorenvergadering bewoog er een zwart rondje over het scherm, aan de vorm te zien een lieveheersbeestje, maar welke? Door het tegenlicht van het scherm kon ik geen details zien en na de vergadering was het verdwenen.

Het was niet het eerste stippenmonster dat ik deze maand had gezien, ook op het keukenraam zit er af en toe één, zowel binnen als buiten.

Net als de citroenvlinders en andere ‘schoenlappers’ schuilen lieveheersbeestjes in de winter graag als imago op beschutte plekjes, soms in richels buiten en wanneer je in oktober regelmatig het raam openlaat ook in huis. Je hebt daar verder weinig last van, tenzij ze verstoord worden, dan kunnen ze gaan stinken.

In het voorjaar geeft ze dat een voorsprong: bij de eerste zonnestraaltjes zijn ze er als de kippen bij. Maar ook riskant! Ze hebben al maanden niets gegeten, dus er moet wél genoeg voedsel aanwezig zijn en in het vroege voorjaar zijn er nog geen bladluizen. Dus wanneer de zonnestralen te vroeg komen kan dat hun dood betekenen.

De kwetsbare citroenvlinders zullen zich gedeisd houden tot het echt serieus de moeite waard wordt buiten, maar lieveheersbeestjes zijn al eerder te zien, ook de komende weken.

Het is de moeite waard om zo’n diertje eens wat beter te bekijken:

Elk insect bestaat uit 3 delen: kop, borststuk, achterlijf, vaste prik! En toch zie je vaak maar één half bolletje. De dekschilden bedekken het achterlijf. En daarvóór zit een stukje, vaak met 2 ‘ogen’, dat is het schildje over het borststuk, niet de kop, die zit dáárvoor, soms verborgen onder het borststuk. Daar zitten de échte ogen en de korte sprieten.

Elk insect heeft 6 poten, waar zitten die dan? Aan het borststuk. En wanneer je het beestje voorzichtig oppakt en omdraait, kun je aan de onderkant de groefjes zien waar het de pootjes in kan leggen en zich ‘dood’ houden.

Er zijn zo’n 60 soorten in België en Nederland, allemaal met hun eigen stippenpatroon.

Veel plezier met zoeken en kijken!

Alfred van der Burgh