Bijdrage van Alfred van der Burgh

Nieuwsbrief september 2022

De Hulstvlieg

Haar levenswandel op een presenteerblaadje

De blaadjes

Foto: Alfred van der Burgh

Je loopt er makkelijk aan voorbij, maar wellicht zijn ze je wel eens opgevallen, die geelgroene vlekken op een hulstblad. De veroorzaker daarvan is bijna altijd een vliegje van 2-3 millimeter: Phytomyza ilicis (Ilex=Hulst). De sporen die de larve nalaat, zijn vele malen groter.

De Hulstvlieg is een bladmineerder, dat wil zeggen dat de minuscule larve leeft van het bladmoes en een zogenaamde mijn veroorzaakt. Vaak zijn het elegante gangetjes of blaasjes. De Hulstvlieg maakt een combinatie.

Het is zeker de moeite waard om even stil te staan bij een Hulst en zo’n blaadje goed te bekijken.

Van ei tot pop

Wanneer je het hulstblad omdraait zie je een gaatje in de hoofdnerf in de buurt van het steeltje. Daar heeft het vrouwtje rond 1 juni een gaatje geboord met haar legboor en een eitje naar binnen gedrukt. Het blaadje is dan nog jong en zacht. Na een paar dagen komt het eitje uit en het minilarfje begint direct te eten en boort zich daarmee een tunnel door de nerf richting bladpunt. Daar doet hij/zij 2 maanden over. Meestal is de tunnel onzichtbaar maar soms kun je deze zien door een lichte verkleuring van de hoofdnerf.

Rond 1 augustus slaat het larfje links- of rechtsaf en vreet zich het blad in. Daar voedt het zich tot ongeveer 1 april met de bovenste laag van het bladmoes, het zogenaamde palissadeparenchym, vandaar dat je de mijn vooral aan de bovenkant kunt zien. Het eerste deel van de mijn is een brede gang waarin de uitwerpselen (frass) soms te zien zijn als een donkere lijn. Vervolgens ontstaat er een blaas waar de uitwerpselen een donkere vlek vormen.

Foto: Alfred van der Burgh

Een enkele keer vreet de larve zich naar beneden en begint aan de onderste, sponsachtige laag bladmoes, wat vaker gebeurt in parken en tuinen, daar zijn de hulstblaadjes vaak nét iets dikker. Die onderzijdige mijn is lastig te zien, omdat de onderkant groen blijft.

Van pop tot vlieg

Wanneer de larve voldoende heeft gegeten maakt deze een poppenkamer in de blaas. Na ongeveer een maand verlaat het volgroeide vliegje de poppenkamer aan de bovenkant van het blad. Vanaf dat moment bestaat het leven alleen nog maar uit paren en eitjes afzetten.

Om in leven te blijven maakt het vliegje voedingsprikjes in het blad (figuur 2).

Doodsoorzaken

Als reactie op de vraat maakt het hulstblad wondweefsel aan. Wanneer de larve niet snel genoeg eet, wordt deze hierdoor ingehaald en doodgedrukt.

Er zijn verschillende beestjes die parasiteren op de larven van hulstvliegen.

Tot slot zijn er nog de vogels, met name mezen die vooral larfjes uit de onderzijdige mijnen pikken.

Alfred van der Burgh

September 2022

Nieuwsbrief augustus 2022

Paardenkastanjemineermot

Enkele weken geleden viel het me op dat de paardenkastanjes op Soeslo er slecht uitzagen, de paardenkastanjemineermot had behoorlijk huisgehouden. Alle bladeren waren bruin van de mijnen. De minirupsjes van deze mineermot vreten het bladmoes weg in de paardenkastanjebladeren waardoor het blad deels bruin verkleurt. Op heel veel plekken zag ik hetzelfde beeld: flinke aantasting van de paardenkastanjes.

Foto: Alfred van der Burgh

Vorige week tijdens onze vakantie in Friesland zagen we op verschillende plekken paardenkastanjes die minimaal aangetast waren, overwegend groen. We vroegen ons af: hoe kan het dat dezelfde mineermotjes er wél zitten, maar nauwelijks schade veroorzaken?

Foto: Alfred van der Burgh

Na wat puzzelen en zoeken kwamen we erachter: wanneer de rupsjes hun minibuikjes hebben volgegeten, verpoppen ze. Elke soort doet dat weer anders. De paardenkastanjemineermot verpopt zich ín de mijn, ín het blad. Zoals gebruikelijk vallen de bladeren in het najaar op de grond, mét poppen. Op dat moment ontstaat het verschil: in parken en tuinen worden de bladeren soms weggeharkt of weggeblazen met een apparaat of door de wind. Daarmee verdwijnen ook de poppen en maakt het mineermotje het volgend voorjaar minder kans.

Foto: Alfred van der Burgh

Wanneer de bladeren echter blijven liggen omdat er niet wordt opgeruimd of omdat er veel onderbegroeiïng is en de wind er niet goed bij kan komen, zal het natuurlijk veel meer poppenlukken om zich te ontwikkelen tot vlindertjes die op hun beurt weer eitjes kunnen afzetten op de nieuwe bladeren.

Daarbij sluit ik zeker niet uit dat er meer factoren meespelen.

Wanneer je uit eigen waarneming dit verhaal kunt bevestigen, of juist niet, hoor ik dat graag!

Alfred van der Burgh

Nieuwsbrief maart 2022

Hommels in april

Ze vliegen alweer, die lijvige, behaarde hommelkoninginnen, ja alleen nog maar koninginnen, op zoek naar nectar en stuifmeel van vroegbloeiers zoals sneeuwklokjes en krokussen. Maar je ziet ze ook turen langs de muren, wat doen ze daar toch?

Ze zijn op zoek naar een geschikt gaatje in de muur. Vóór de winter zijn ze bevrucht door de darren en nu staan ze er alleen voor. Dus eerst op zoek naar een geschikte nestgelegenheid. Daar maakt ze een bekertje van was, vult dit met nectar, dan een paar eitjes en dit sluit ze weer af met was. Na een paar weken komen de eerste werksters tevoorschijn die alle werkzaamheden overnemen, zodat de koningin verder kan gaan met eitjes leggen, die verder door de werksters worden verzorgd. Daarmee is een nieuw hommelvolk een feit!

Hommels zijn de eerste wilde bijen die je ziet, wat ze vooral te danken hebben aan hun bontjasje.

Het mooie van hommels kijken in het vroege voorjaar is dat het alleen maar koninginnen zijn en dat het aantal soorten nog beperkt is, in de loop van het voorjaar/zomer komen er nog wel wat soorten bij en ook de mannen. 

Ook laten enkele soorten koekoekshommels zich zien vanaf april, dan wordt het een stuk lastiger om in het veld een hommel op naam te brengen.

Je hoort het al: april is de ideale maand om te beginnen methommels kijken!

Twee gele strepen, verder zwart en een witte kont, dat moet een aardhommel zijn! Maar is dat wel zo? Misschien wél, misschien niet . . . Er zijn nóg 3 hommelsoorten die er sprekend op lijken: veldhommel, grote veldhommel en de wilgenhommel. Alleen onderzoek met een loep of microscoop kan uitsluitsel geven. 

Bij waarneming.nl weten ze dat natuurlijk ook, dus wanneer je een zwarte hommel ziet met 2 gele strepen (één over het borststuk en één over het achterlijf) én een witte achterlijfspunt, kun je deze bij waarneming.nl invoeren als‘aardhommelgroep’.

Naast de aardhommel met zijn lookalikes zijn er nóg een paar vroege soorten die je de komende weken kunt tegenkomen.

Eén daarvan is de tuinhommel die 2 gele banden heeft op haar borststuk en één op haar achterlijf en net als de aardhommel een witte kont.

Een andere goed herkenbare soort is de steenhommel. Zij heeft een zwart lijf met een rode kont.

Wanneer je in april een hommel ziet vliegen met een bruin/oranje rug zijn er 2 mogelijkheden. Kijk dan naar de achterlijfspunt. Is deze wit? Dan is het een boomhommel.

Is deze rood? Dan is het een akkerhommel, maar om het nog wat ingewikkelder te maken heeft deze soort een donkere en een lichte vorm.

De laatste goed herkenbare maart-soort is de weidehommel.Gele kraag, gele band over het achterlijf en een rode kont.

Alfred van der Burgh

Bijdrage nieuwsbrief oktober 2021

Gallen en mijnen

..met foto’s van Alfred

Dooie boel 

Voor de meeste insectenliefhebbers is de lol er in oktober wel zo’n beetje af. Bijna alle zespoters hebben zich bescheiden teruggetrokken in boomstammen, strooisel, eitje, cocon, kelder, bodem, … Of ze zijn vertrokken naar warmere oorden. Hier en daar een nachtvlinder of een mug, veel is het niet meer.
Toch blijft mijn motto: ‘Met insecten hoef je je nooit te vervelen!’

Sporen en hun daders

Weinig lévende insecten, maar toch hebben ze overal hun sporen nagelaten. Misschien ken je wel die tekeningetjes of uitgroeisels op bladeren van braam, hulst, klis, hennepnetel of andere planten, struiken en bomen. Zolang de herfststormen en de vorst nog weglijven, zitten er overal nog blaadjes aan de bomen en struiken. En daar is in deze tijd veel aan te zien: gallen en mijnen. Maar wie zijn nou de daders? Dat is erg divers. 

Gallen zijn vergroeiingen van plantenweefsel. Die kunnen worden veroorzaakt door galwespen, galmuggen, galmijten, bacteriën en schimmels. 

Mijnen zijn gangetjes of blaasjes veroorzaakt door larven van mineervliegjes, microvlinders, kevers of wespjesdie het bladmoes wegvreten.

Daar kun je natuurlijk een hele studie van maken door ze tot op soort te determineren. Een beetje kennis van planten en bomen is dan wel zo handig omdat ze meestal een 1-op-1 relatie hebben. Daardoor zijn ze vaak vlot op naam te brengen.

Je kunt ook gewoon zo’n blaadje nauwkeurig bekijken. Wat is er dan allemaal aan te zien?

• Op de eerste plaats de vorm, is het een gangetje of een blaasje, óf een combinatie?

• Is de gang een zig-zag-lijn of een spiraaltje?

• Waar is het eitje afgezet? Is dat eitje (met een loepje) nog te zien? 

• Zie je ‘frass’ als je het blaadje tegen het licht houdt? Dat zijn de uitwerpselen van de dader. Bestaat die frass uit één lijn of uit losse keuteltjes? Of zie je een dubbele lijn?

• Zit het larfje/rupsje er nog in of zie je de opening waar deze is uitgekropen? 

• Zie je huidjes van de verschillende vervellingen in de mijn?

• Waar zit de mijn? Bovenkant? Onderkant? Langs de buitenrand of langs de nerf?

Hoe kun je ze vinden?
Je kunt beginnen in je eigen tuin, bijvoorbeeld op de akelei. Daar zie je vaak gangetjes van de Phytomyza minuscula, een mineervliegje.

Foto 1. Phytomyza minuscula op akelei

Verder kennen we natuurlijk allemaal de bruine kastanjebladeren, het gevolg van de paardenkastanjemineermot, een prachtig beestje, maar dat geldt voor veel microvlindertjes.

Foto 2. Koninginnekruidspiraalmineervlieg op hennepnetel

Ook leuk zijn de spiraalvormige gangetjes van de koninginnekruidspiraalmineervlieg op koninginnekruid of hennepnetel.

Foto 3. Zigzagbeukenmineermot

Voor een galletje hoef je meestal niet ver te zoeken: eiken en beuken kunnen verschillende soorten huisvesten zoals het eivormig galletje dat veroorzaakt wordt door de beukengalmug.

Foto 4. Beukengalmug

Heb je de smaak te pakken? 

Dan kan er weer een wereld voor je opengaan.

Gerard Beersma gaat in zijn artikel in de laatste ZNT 2021 nr.1 uitgebreider in op de veroorzakers van gangmijnen.

Boeken:

Veldgids plantengallen, Roelof Jan Koops

Gallenboek, W.M. Dokters van Leeuwen

Websites:

Plantparasieten van Europa – bladmineerders, gallen en schimmels

british leafminers – your guide to british and european leafmines

https://www.plantengallen.com

Alfred van der Burgh


Bijdrage nieuwsbrief september 2021


Spinselpuzzel in de Vreugderijkerwaard

Met insecten hoef je je nooit te vervelen.

Zaterdag 4 september sloten we het seizoen van 6 werkgroep-excursies af in de Vreugderijkerwaard met maar liefst 15 deelnemers. Hoogtepunt was natuurlijk de koninginnenpage die prachtig bleef zitten voor een uitgebreide fotoshoot, met een paar meter verderop de rups.

Wanneer je in de vegetatie speurt naar insecten, ontkom je niet aan galletjes, mijnen, vraat, eierpakketjes, spinseltjes, enz. Dan gaan de koppen bij elkaar en wordt alle aanwezige kennis en wijsheid gedeeld. Dat levert soms vrij snel een naam op, in dit geval wisten we het niet, een wit spinsel. Ik dacht aan een spinnennestje.

Foto: Alfred van der Burgh

Mobieltjes uit de zak, fotootjes naar OBS-identify, die wist er geen raad mee. Eén foto meldde dat het om sluipwespen ging. Ik heb het spinsel meegenomen en in de schuur uitgekweekt.Elke dag even kijken en na 7 dagen kropen er wel 10 “vliegjes” rond van 3 millimeter. Weer foto’s gemaakt en ingevoerd: ‘sluipwesp onbekend’! Ik was blij dat de cirkel rond was.

Foto: Alfred van der Burgh

Toen ik de suggestie kreeg hier een stukje over te schrijven, dook ik in de boeken. Eh, sluipwespen ontwikkelen zich toch juist ín hun gastheer? Vaak een rups. Was het dan geen gal met galwespjes? Eén van de exemplaren heeft het niet overleefd, die heb ik onder de microscoop gelegd om de vleugels te bekijken (foto 3). Galwespen hebben géén pterostigma, de donkere vlek aan de voorrand van de vleugels, deze wèl!

Zonder nu té technisch te worden: wespen met een taille kun je indelen in angeldragers en parasitaire wespen. De laatste groep weer in galwespen (100 soorten in NL), sluipwespen(1200) en schildwespen (1000).

Sluipwespen zijn doorgaans langer dan 5 mm en ontwikkelen zich geheel ín de gastheer.

Schildwespen zijn meestal kleiner en hebben 2 cellen in hun voorvleugel vlakbij het pterostigma.

Bovendien verpoppen schildwespen zich vaak in een eigengemaakt spinsel buiten hun gastheer. 

Alles wijst erop dat we hier te maken hadden met een spinsel van schildwespjes, maar welke???

Ik hoop niet dat je bent afgehaakt. Ik wilde vooral laten zien hoe een spinseltje kan leiden tot een flinke zoektocht. En hoe leuk het is om een gal, cocon of spinsel thuis uit te kweken.

Met insecten hoef je je nooit te vervelen.

Alfred van der Burgh

Wijthmen, 16-9-2021


Bijdrage nieuwsbrief mei 2021

MIERENLEEUWEN in Zwolle e.o. ?

Foto: Alfred van der Burgh

Wie Wijthmen zegt, zegt zand, veel dekzand met afgeronde korreltjes, hier ook wel ‘klapzand’ genoemd. Nou zijn er heel wat mierensoorten die graag hun nest maken in zandgrond zoals de zwarte wegmier (Lasius niger). Die hebben we dan ook genoeg in onze tuin in Wijthmen.

Mieren staan bekend als opruimers, maar worden ook zélf gegeten, o.a. door de mierenleeuw. Veel insecten zien we vooral in het kortdurende volwassen stadium, denk aan een libel die soms 4 jaar onder water leeft en na het uitsluipen slechts enkele weken rondvliegt. Zo is het ook met de mierenleeuw, die zelfs wat lijkt op een libel, maar tot een heel andere orde behoort: de netvleugeligen. Het grootste deel van haar/zijn larve leven leeft het onder de grond op jacht naar o.a. mieren. Ze doen dat op een heel bijzondere manier: met hun grote kaken graven ze zich in in los, droog zand zodat er een trechtervormig kuiltje ontstaat.

En nu maar wachten tot er een mier langskomt en naar beneden glijdt. Soms zal een mier vervolgens snel weer naar boven klimmen, jammer voor de mierenleeuwlarve. Toch geeft deze zich nog niet gewonnen: even slingeren met de kaken en een paar zandkorrels naar de mier gooien, waardoor deze alsnog ten prooi valt aan de leeuwenkaken, wordt verdoofd en leeggezogen.

Vorig jaar trof ik in de zomer een dode volwassen mierenleeuw aan in onze tuin, geen idee waar deze vandaan kwam. Tot ik een paar weken geleden onder een afdakje tussen de stenen een hele serie kuiltjes vond, nee toch . . . ?

Foto: Alfred van der Burgh

Een exhauster is een buisje waarmee je insecten op kunt zuigen zonder ze direct binnen te krijgen. Zo heb ik uit 3 kuiltjes wat zand opgezogen en binnen op een wit bord gelegd. Al snel zag ik wat beweging: 3 larven met gigantische kaken die tot mijn verrassing alleen maar achteruit liepen, wel logisch achteraf.

Op waarneming.nl staan slechts heel weinig meldingen van mierenleeuwen in Zwolle e.o. Zelf ben ik wel benieuwd of er hier in de omgeving wel meer te vinden zijn onder afdakjes of overhangende takken. Onze tuin zal toch niet de enige zijn . . .

Alfred van der Burgh

alfredbur@hetnet.nl

Lieveheersbeestjes in februari

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is knnvzwlievwbs-682x1024.jpg

Als kind was ik al gecharmeerd van lieveheersbeestjes, wie niet?

Wanneer ik er in onze tuin in Helmond één of meerdere vond stopte ik ze in een luciferdoosje, een paar ligusterblaadjes erbij en af en toe even kijken. Ik vroeg me af waarom ze nooit honger hadden, de blaadjes bleven puntgaaf.

Pas veel later leerde ik dat er maar weinig lieveheersbeestjes vegetarisch zijn. Vrijwel alle soorten zijn rovers, ze eten plantenluizen, veel, honderden! Zowel de larve als het imago (volwassen).

Ook leerde ik al vrij snel dat kleine exemplaren nooit groter worden en dat het aantal stippen op de dekschilden niets zegt over de leeftijd. Toen ik deze week deelnam aan een online IVN-coördinatorenvergadering bewoog er een zwart rondje over het scherm, aan de vorm te zien een lieveheersbeestje, maar welke? Door het tegenlicht van het scherm kon ik geen details zien en na de vergadering was het verdwenen.

Het was niet het eerste stippenmonster dat ik deze maand had gezien, ook op het keukenraam zit er af en toe één, zowel binnen als buiten.

Net als de citroenvlinders en andere ‘schoenlappers’ schuilen lieveheersbeestjes in de winter graag als imago op beschutte plekjes, soms in richels buiten en wanneer je in oktober regelmatig het raam openlaat ook in huis. Je hebt daar verder weinig last van, tenzij ze verstoord worden, dan kunnen ze gaan stinken.

In het voorjaar geeft ze dat een voorsprong: bij de eerste zonnestraaltjes zijn ze er als de kippen bij. Maar ook riskant! Ze hebben al maanden niets gegeten, dus er moet wél genoeg voedsel aanwezig zijn en in het vroege voorjaar zijn er nog geen bladluizen. Dus wanneer de zonnestralen te vroeg komen kan dat hun dood betekenen.

De kwetsbare citroenvlinders zullen zich gedeisd houden tot het echt serieus de moeite waard wordt buiten, maar lieveheersbeestjes zijn al eerder te zien, ook de komende weken.

Het is de moeite waard om zo’n diertje eens wat beter te bekijken:

Elk insect bestaat uit 3 delen: kop, borststuk, achterlijf, vaste prik! En toch zie je vaak maar één half bolletje. De dekschilden bedekken het achterlijf. En daarvóór zit een stukje, vaak met 2 ‘ogen’, dat is het schildje over het borststuk, niet de kop, die zit dáárvoor, soms verborgen onder het borststuk. Daar zitten de échte ogen en de korte sprieten.

Elk insect heeft 6 poten, waar zitten die dan? Aan het borststuk. En wanneer je het beestje voorzichtig oppakt en omdraait, kun je aan de onderkant de groefjes zien waar het de pootjes in kan leggen en zich ‘dood’ houden.

Er zijn zo’n 60 soorten in België en Nederland, allemaal met hun eigen stippenpatroon.

Veel plezier met zoeken en kijken!

Alfred van der Burgh