Bijdrage Peter van Dam

Nieuwsbrief september 2021


Gehakkelde aurelia – Polygonia c-album

Foto: Peter van Dam

Als de gehakkelde aurelia stil zit, lijkt hij op een dor blad. De grote variatie aan kleuren oranje en bruin en de bijzondere vleugelvorm met golvende achterrand, past precies in een omgeving met dor blad. Je ziet een gehakkelde aurelia meestal pas als hij vliegt. In het begin denk je een kleine vos te zien, maar de kleuren en de vorm van de vleugels zijn toch echt anders. Gelukkig gaat de vlinder meestal ergens zitten en kun je hem bekijken.

‘Gehakkeld’ wijst natuurlijk op die achterrand. Aan de onderkant hebben de achtervleugels een witte letter C. Vandaar c-album in de wetenschappelijke naam. Friese naam: C-flinter. Engels: Comma butterfly.

De gehakkelde aurelia houdt van vochtige bossen en stadstuinen. De eitjes worden vooral gelegd op de grote brandnetel, maar ook op hop, ribes, wilg en hazelaar. Opvallend is dat de ontwikkeling van de rups op de brandnetel drie keer zo snel gaat als op de ribes. Ook bijzonder is dat deze vlinder vaak nectar zoekt op droge graslanden.

De rupsen van de gehakkelde aurelia lijken op een vogelpoepje. Meestal zijn er twee generaties in ons land. In Scandinavië is 1 generatie en in Zuid Europa zijn er zelfs 3.

De vlinders overwinteren onder boomwortels, in boomholtes of tussen takken en bladeren. 

Foto: Peter van Dam

De gehakkelde aurelia’s die we al in maart zien, zijn overwinteraars die als vlinder hebben overwinterd. De mannetjes van de gehakkelde aurelia’s verdedigen een territorium van 12 m² vanaf een vaak hoog gelegen zonnige en windstille uitkijkplek. Indringers worden verjaagd met een spiraalvormige achtervolgingsvlucht. In een geschikt gebied zijn 8 tot 20 territoria per hectare.

De gehakkelde aurelia strekt tijdens het vliegen regelmatig de vleugels en maakt daardoor glijvluchten. Deze vlinder naar je tuin lokken? Leg dan ergens rottend fruit neer!

Nieuwsbrief augustus 2021

Kattenstaartdikpoot – Melitta nigricans

Foto: Peter van Dam

Al bijna 20 jaar geniet ik van al het plantaardig en dierlijk leven in en rond mijn tuinvijver. Soorten komen en gaan. Eén van mijn favoriete planten is de kattenstaart, die een aantal zomerweken de tuin kleurt. Insecten tanken er nectar. Bij zonnig weer zie je er altijd honingbijen.

In 2019 viel me op dat een bijenwolf daar een bij ving. Ik dacht eerst dat een honingbij het slachtoffer was, maar het was een kattenstaartdikpoot! Nog nooit van gehoord en dus ook niet herkend! De kattenstaartdikpoot is een wilde bij van iets meer dan 1 cm groot. De mannetjes zijn iets kleiner dan de vrouwtjes. Een andere naam is kattenstaartbij. Deze wilde bij hoort bij de dikpootbijen. In ons land leven 4 soorten.

Dikpootbijen lijken veel op zandbijen (andrena’s). Ze gebruiken echter een minder lang stuk van hun poten om stuifmeel te vervoeren. Ze bevochtigen het stuifmeel met nectar, waardoor het steviger en donkerder wordt. De kattenstaartdikpoot is in 1905 voor het eerst beschreven door de Duitse entomoloog Alfken. Een tijdlang lag zijn noordgrens in Nederland bij Zwolle. Dikpootbijen zijn monolectisch: ze bezoeken slechts één soort bloem en zijn daarvan helemaal afhankelijk. De naam kattenstaartdikpoot verraadt al welke plant dat is. Je ziet de kattenstaartdikpoot alleen in de bloeitijd van de kattenstaart.

Foto: Peter van Dam

De mannetjes zijn er gemiddeld 3 weken eerder dan de vrouwtjes. Ze verkennen hun leefgebied en vormen gezamenlijke slaapplekken op de kattenstaart. Uiterlijk lijken ze veel op de vrouwtjes. Ze hebben meer bruin. De vrouwtjes graven een nest in de grond. Er is een hoofdgang met zijgangen en broedcellen. Ze impregneren de broedcellen met een zelf gemaakt smeersel tegen vocht. De ingang is moeilijk te vinden.

Kattenstaartdikpoten zijn bijna zwart. Het achterlijf heeft een aantal bandjes met witte haren. De sprieten van de vrouwtjes zijn wat langer. De stuifmeelpakketjes aan hun achterpoten zijn donkergroen. Deze wilde bij overwintert als larve in een zelf gesponnen cocon.

Tuinvijvers met kattenstaart zijn van levensbelang voor de soort. Een prima reden om kattenstaarten bij de vijver te planten! De zwartvoetsprietbij parasiteert op deze bij en de bijenwolf jaagt erop; ook boeiend om waar te nemen.

Peter van Dam

Nieuwsbrief juni 2021

Koninginnenpage – Papilio machaon

Foto: Peter van Dam

Als je het geluk hebt om een koninginnenpage te zien, herken je hem onmiddellijk. Het is de grootste dagvlinder in ons land en niet te verwarren met andere vlinders. In het zuiden van Europa leeft ook de koningspage, maar die komt hier niet voor. De koninginnenpage kan 8 cm groot worden. Soms duikt hij ineens op, vliegt vlak langs en voordat je van de ‘schrik’ bent bekomen is hij alweer verdwenen. Elke waarneming is een welkome verrassing!

De aantallen koninginnenpages in dit voorjaar verrassen iedereen. Bij vlindertellingen langs vaste routes in De Wieden werd hij tot nu toe nooit zo vroeg vastgesteld. Vanaf 2019 is hij voor het eerst geteld in augustus. Het waren er 3. In 2020 was het aantal 6. Nu, in het voorjaar, ligt het aantal koninginnenpages al op 58. Super! Dat belooft wat voor de rest van het jaar.

De koninginnenpage legt de eitjes één voor één op vooral wilde peen. Ook andere schermbloemen worden benut. In moerasgebieden wordt engelwortel graag gekozen. Andere soorten: bevernel, pastinaak en in tuinen venkel. De eerste generatie is van 26 april tot 5 juni. Dan wordt alleen gekozen voor wilde peen. De tweede generatie is van 11 juli tot 25 augustus. Dan komen andere schermbloemen in beeld. Soms is er in oktober een derde generatie. 

Foto: Peter van Dam

Tot en met de derde vervelling lijken de rupsen op een zwart met wit vogelpoepje. Na de vierde vervelling is een rups groen, met witte, zwarte en oranje vlekjes. In die tijd verdedigt de rups zich met het zogenaamde osmeterium: vlak achter de kop verschijnen twee oranje sprieten. Samen met nepogen lijkt de rups nu een slangenkop. Tegelijk is er een onaangename ananasachtige geur. Dit werkt tegen mieren, spinnen en sprinkhanen. 

De koninginnenpage overwintert als gordelpop. Die hangt in een gordeldraad aan de stengel van de waardplant. De eerste vlinders in het jaar zijn net ontwaakt uit die lange slaap. In een goed seizoen vliegen er gemiddeld 6 per hectare. Gezien de aantallen in het voorjaar van 2021 hebben veel koninginnenpages de winter bij ons doorgebracht.

Nadat een mannetje een vrouwtje heeft ontmoet, volgt een buitelende  dansvlucht. Daarna volgt de paring, die wel 2 uur kan duren. Dan zoekt het vrouwtje een waardplant die liefst wat alleen staat. Net als de vlinder worden ook de rupsen groot. Tot wel 5 cm. De vlinders drinken nectar van klavers, distels, schermbloemen en buddleja. De koninginnenpage ademt door gaatjes in de poten.

De mannetjes van de koninginnenpage doen aan ‘hill-hopping’. Ze kiezen samen een hoger gelegen punt en speuren van daar naar een vrouwtje. Het liefst zoeken ze een ruderaal terreintje, kruidenrijk grasland, moerasgebiedjes en tuintjes. 

Peter van Dam

Nieuwsbrief mei 2021

Koekoek – Cuculus canorus

Foto Peter van Dam – Koekoek: vrouw boven/ man onder

In de periode half april – mei keren koekoeken terug in ons land. Je hoort ze dan roepen. Tijdens dit bliksembezoek planten ze zich voort. In juni is het weer stil. De volwassen koekoeken zijn alweer vertrokken naar hun overwinteringgebieden ten zuiden van de Sahara. Jonge koekoeken zoeken zelf de weg naar het zuiden, als zij het nest waarin ze zijn opgegroeid hebben verlaten.

‘Onze’ koekoeken laten het uitbroeden van de eieren en het verzorgen van hun jongen over aan andere vogels. Dat heet broedparasitisme. Op aarde zijn tientallen andere soorten koekoeken, die de verzorging helemaal zelf doen. De koekoek heeft het erg druk met de voortplanting. Vrouwtje koekoek legt om de dag een ei en doet dat 8 tot 20 keer. Voor elk ei moet het nest worden gevonden van een zangvogel om dat ei in te leggen. 

Mannetje koekoek lokt de eigenaar weg en het vrouwtje legt haar ei. Om dat snel te kunnen doen heeft zij een uitschuifbare eilegbuis (cloaca). Tijdens de val van het ei in het zachte nest is zo de kans op breken klein. Als er genoeg tijd is, eet vrouwtje koekoek eieren op die al in het nest liggen. Of ze gooit die eieren over de nestrand. Lukt dat niet, dan is dat het eerste wat een jonge, op dat moment nog blinde, koekoek doet. 

Foto: Peter van Dam

In ons land leven 38 mogelijke waardvogels (o.a. kleine karekiet, heggenmus, graspieper). Koekoeken specialiseren zich in een waardvogel. Daarnaast kiezen ze een tweede soort voor als in legnood raken. Door die specialismen zijn er ‘koekoekstammen’. De keus op waardvogels is per gebied anders. In Duitsland worden veel roodborsten en winterkoningen bezocht. In Nederland niet. Door de achteruitgang van de tapuit is de ‘koekoekstam’ die daarbij hoort waarschijnlijk uitgestorven of veranderd.

Koekoeken hebben geen tijd voor een echt territorium. Een boom in de buurt is handig als uitkijk om waardvogels te ontdekken. Veel legsels van koekoeken mislukken omdat de waardvogel ze ontdekt. In het voorjaar van 2021 liet een aantal koekoeken zich goed zien in Langenholte. Het waren er minimaal 5. Eén ervan had een bruin verenkleed. Dat was een vrouwtje. De mannetjes en een groot aantal vrouwtjes is blauwgrijs. Bruine vrouwtjes zijn in veel gebieden zeldzaam, maar in andere juist veel voorkomend.

Mij zou het niet verbazen als een vrouwtje een kleine harem van heren heeft, die de gastouders van haar jongen zoekt. In Langenholte werd het vrouwtje voortdurend omringd door een aantal mannetjes.

Peter van Dam

Nieuwsbrief april 2021

Tronkenbij  – Heriades truncorum  

Foto: Peter van Dam

Onlangs was de nationale bijentelling. De soort die ik hier beschrijf werd volgens mij niet gezien. Je weet echter nooit, want hier en daar zijn wellicht plekjes waar de omstandigheden om te leven voor dit bijtje wel geschikt zijn. Tronkenbijtjes zijn klein van stuk. Ze bewonen graag bijenflats. Om dit interessante bijtje te kunnen observeren is een eenvoudige bijenflat aan te raden. 

Hoe succesvol een diersoort is, kunnen we vaak aflezen aan het aantal nakomelingen in een jaar tijd. Veel jongen betekent meestal dat de kans op vroege sterfte groot is. Weinig jongen betekent dat de kans hierop geringer is. De tronkenbij is een bij van 5 tot 7 mm lengte, niet echt groot. Het moet een succesvolle soort zijn, want het insect leeft gemiddeld een maand en produceert in die tijd slechts 8 eitjes.  

Tronkenbijen zoeken gangen van kevers in hout, afgeknotte resten van bomen, kieren in weidepalen, rieten daken, rieten matten en bijenflats van mensen in tuinen. Een doorsnede van 3 tot 4 mm is ruim voldoende. De naam tronkenbij komt van tronk. Dat is het onderste deel van een boom, dat na het omhakken of omvallen van de boom overblijft.  Het bestaat uit de wortels en een deel van de stam. Een stronk is geen tronk!  

Foto: Peter van Dam

De tronkenbij is zwart en heeft dunne, witte bandjes op het achterlijf. De mannetjes hebben kleine putjes in het achterlijf. Op hun kop en borststuk zijn wat gelige haartjes.  De vrouwtjes hebben gele buikharen, een buikschuier, waarmee ze stuifmeel verzamelen.  

Tronkenbijen zijn klein en hebben een korte tong. Ze verzamelen stuifmeel op composieten met buisbloempjes. Ze kloppen op de bloem met hun achterlijf. Het hierdoor dansende stuifmeel wordt verzameld tussen de buikharen.  

Voor het bevoorraden van elke broedcel zijn meer dan 30 vluchten nodig. Het stuifmeel komt niet van 1 soort plant. Soms kraakt een tronkenbij het nest van een ander of hij steelt het stuifmeel. Mannetjes zitten altijd op vrouwtjes te wachten.  

Foto: Peter van Dam

Tronkenbijen lijken veel op tubebijen en klokjesbijen. Zij metselen als enige wandjes tussen de cellen van hars. Zij halen dat bij coniferen. Die staan in veel tuinen. Ook de eindprop van een cel is van hars, maar daarin wordt zand en blad verwerkt. Andere insecten parasiteren op tronkenbijen. Ze leggen snel een eitje in een cel als een tronkenbij even weg is. Knotwespen, hongerwespen en muurrouwzwevers zijn altijd in de buurt. Zorg voor een bijenflat en ga op tuinsafari vanuit de tuinstoel.  

Peter van Dam 

Nieuwsbrief maart 2021

Nachtegaal – Luscinia megarhynchos

Ik kijk op televisie graag naar Vroege Vogels. Knap, hoe ze in betrekkelijk weinig tijd een natuurgebied portretteren en daarbij interessante soorten planten en dieren in beeld brengen. Toch past af en toe wel een kritische noot. In 2020 werd aandacht besteed aan het voorkomen van nachtegalen in de duinen, volgens de presentator en de gids nog de enige plek in Nederland waar je nog nachtegalen kunt zien en vooral horen. Onzin natuurlijk, want rond Zwolle zijn diverse plekken waar in het voorjaar nachtegalen hun zang laten horen. Westerveld en Landgoed Windesheim zijn bijvoorbeeld nachtegaal-rijke plekken.

Vanaf half april zingt de nachtegaal weer ‘in het theater van de natuur’. Veel natuurliefhebbers trekken er op uit om van deze zanger te genieten. Velen die vlakbij de zangplek van deze vogel wonen, vinden zijn nachtelijke optredens minder prettig! De nachtegaal zingt eerst om een vrouwtje te lokken. Tegelijkertijd moet de zang andere heren op afstand houden. Hij zingt ook ’s nachts. Is er een broedpaar gevormd, dan houden de nachtelijke concerten op. Maar … niet alle nachtegalen slagen daarin! De naam nachtegaal komt van het Germaanse ‘galan’. Dat betekent galmend zingen. De toevoeging nacht spreekt voor zich.

Componisten als Beethoven en Chopin zijn door de nachtegaal beïnvloed. Bij het componeren van hun muziekstukken maakten zij gebruik van zijn zang. Daarin zitten zelfs elementen, die al een eigen naam hebben gekregen. Zo is er het ‘fluitketeltje’, een lang aangehouden uihaal. Het is net alsof een ‘doedelzak’ wordt volgepompt om de zang te vervolgen. Ook is er de ‘druppelslag’, een aantal klokkende geluiden achtereen.

Onderzoekers hebben ongeveer 900 zelfstandige elementen vastgesteld in de zang van de nachtegaal. Elk mannetje gebruikt 120 tot 260 van die deuntjes. Ze leren die door te imiteren. Elk stukje duurt 2 tot 4 sec. Zoveel keus? Dan is de kans groot dat er ook dialecten zijn. In de vogelwereld komen dialecten vaak voor, maar de grote variatie aan mogelijkheden maakt de zang van de nachtegaal uniek.

De bovenzijde van de nachtegaal is warmbruin. De staart is roodbruin. De hals is grijsbruin en donkerder dan de lichte buik. Ons land telt ongeveer 7000 paartjes nachtegalen. Heel Europa telt er geschat ongeveer 11,5 miljoen. Nachtegalen broeden tussen brandnetels, onder struikgewas. Daar is het veilig en er leven veel voedseldiertjes. Nachtegalen hebben een hekel aan kletsnat, kurkdroog en verlaging van het grondwaterpeil. De nachtegaal wil het liefst open terrein met hier en daar een boom of struiken. In veengebieden broeden ze in wilgenstruweel.

Nachtegalen overwinteren in Zuid Afrika. In ons land ligt noordelijke grens van zijn broedgebied. Noordelijker broedt de Noordse nachtegaal. Die ziet er vrijwel hetzelfde uit, maar zijn zang is echt anders. Vergelijk de zang van beide vogels maar eens op Xeno Canto. Besteed dan gelijk tijd aan de zang van de blauwborst. Hij wordt vaak bastaardnachtegaal genoemd, maar dat is verkeerd. De blauwborst hoort ook bij het geslacht Luscinia en is daarmee ook een nachtegaal.

Peter van Dam

Nieuwsbrief februari 2021

Havik – Accipiter gentilis 

Vrouwtje tot 64 cm, veel groter dan een buizerd! Mannetje tot 56 cm, iets groter dan een buizerd. Kleine kop, korte en brede vleugels, lange staart. 

Volwassen vogels hebben fijne dwarsstrepen op hun borst. Jonge vogels hebben ‘druppelvlekken’. Naarmate haviken ouder worden, is hun streeptekening fijner. Volwassen vogels zijn blauwgrijs. Jonge vogels zijn vooral bruin. De kop heeft een opvallend brede witte wenkbrauwstreep. Haviksogen zijn eerst witgeel. Zij kleuren met elk levensjaar donkerder oranje. Tijdens de vlucht zie je brede heupen. De staart is licht afgerond. 

De havik wordt gemakkelijk verwisseld met de sperwer. Het mannetje wordt maar iets groter dan het vrouwtje van de sperwer. Haviken vliegen ogenschijnlijk minder snel. De staart van een sperwer eindigt niet rond, maar recht. Beide vogelsoorten jagen vooral op vogels. Haviken vangen ook haasachtigen en knaagdieren.

Zowel de havik als de sperwer hebben als geslachtsnaam Accipiter. Beide vogels horen bij de familie van de Accipitridae. Ofwel de familie van de haviken, sperwers of arenden. Bij deze familie horen ook de kiekendieven, de wouwen en de arenden. Omdat uiterlijk en manier van leven nogal verschillen verdelen vogelaars die enorme familie liever in kleine groepen met dezelfde namen.

Net als bij een aantal andere soorten roofvogels is het vrouwtje van de havik groter dan het mannetje. Dat is belangrijk in het broedseizoen. Als de jongen klein zijn, vangt het mannetje kleine prooien. Zodra de jongen groter zijn, is er behoefte aan grote prooien. Dan helpt het zwaardere vrouwtje bij het vangen ervan.

Eksters voorzien hun nest van een bolvormig dak vol doorntakken. Hiermee proberen zij hun jongen te beschermen tegen de havik. Jarenlang was dit dak niet nodig omdat er nauwelijks haviken waren. Na het gebruik van gifstoffen in de vorige eeuw was de havik bijna geheel verdwenen. Tegenwoordig zijn er weer haviken, maar hun aantal lijkt inmiddels weer te slinken.

Aan de grootte van de veren op een plukplaats kun je vaak al zien of de dader een havik was of een sperwer. Zijn de veren van een duif of een eend, dan moet hier wel een havik bezig zijn geweest. Sperwers vangen kleine prooivogels, zoals de koolmees. Zelf moeten haviken tegenwoordig ook oppassen. Er zijn oehoes in dit land!

Peter van Dam

Oude bijdragen: Peter van Dam