Bijdrage Peter van Dam

Nieuwsbrief januari  2023

Tafeleend – Aythya ferina

Af en toe wordt een leegstaand vlotje van de zwarte stern ‘geleend’ door een tafeleend. Dat moet kunnen, want ongeveer tweederde deel van alle beschikbare vlotjes wordt niet gebruikt door de sterntjes. Tafeleenden gebruiken een vlotje niet om te broeden, maar vooral om er op te rusten. 

Foto: Peter van Dam

De naam tafeleend is vertaald vanuit het Duits en verraadt dat mensen altijd belangstelling hebben gehad voor deze duikeend. Op sommige schilderijen is te zien waarom. Het tweede deel van de wetenschappelijke naam, ferina, betekent wild. Niet in de zin van wilde eend, maar in de zin van wildbraad, lekker om te eten. Al in de tijd van Linnaeus werd flink gejaagd op deze eend. 

Nu staat de tafeleend niet meer op de Europese lijst van bejaagbare dieren. Van de eenden is dat alleen nog de wilde eend. Toch bestaat het idee dat veel tafeleenden nog steeds slachtoffer worden van de jacht in Frankrijk. 

De tafeleend is een grote eend met een hoog oplopend voorhoofd. Het mannetje heeft een prachtige roodbruine kop. Zijn borst en achterwerk zijn zwart. De ogen zijn rood. Het vrouwtje is meer bruingrijs. Het is een schutkleur. Jonge tafeleenden lijken eerst allemaal op hun moeder. De ogen van deze eendenkuikens zijn nog geel i.p.v. rood. De grijze band op de snavel van de tafeleend is kenmerkend. Is de snavel helemaal zwart, dan is de vogel een grote tafeleend uit Amerika. De grote tafeleend heet ook canvasback.

Foto: Peter van Dam

Tafeleenden produceren één legsel per jaar. Ze leggen 8 tot 10 eieren. Soms dumpt een ander vrouwtje eieren in hetzelfde nest. In ons land broeden ongeveer 2000 paartjes tafeleenden. Zodra het vrouwtje broedt, wordt ze verlatenFoto: Peter van Dam door de woerd. Die zoekt andere woerden op. De tafeleend broedt in de buurt van water, dat minimaal een meter diep is. Het voedsel waarnaar deze eend duikt is zowel plantaardig als dierlijk. 

Onze tafeleenden zijn standvogels. In de winter komen hier nog zo’n 50.000 andere tafeleenden overwinteren. In die periode zoeken ze diepe watergebieden op, zoals de randmeren. De tafeleend kent een woerdenoverschot. De eenden hebben keus. 

Tafeleenden zwemmen vaak in gezelschap met kuifeenden. Het zijn geen concurrenten van elkaar. De kuifeend eet vooral overdag en vooral dierlijk. De tafeleend eet juist ’s nachts en meer plantaardig. In 90 minuten duikt een vrouwtje 250 keer.

Peter van Dam

Nieuwsbrief december 2022

Slobeend – Anas clypeata

Weidevogels worden verdeeld in twee groepen: de primaire en de secundaire weidevogels. Bij de eerste groep horen kievit, tureluur, grutto en wulp. Zij broeden vrijwel uitsluitend op grasland. De slobeend hoort bij de secundaire weidevogels. Zij broeden ook op grasland, maar doen dit vaker in andere landschappen. In grasland zoekt de slobeend zijn nestplek niet in een slootkant maar in hoog gras. Alleen het vrouwtje broedt. 

Foto: Peter van Dam

Slobeenden broeden vaak laat. Hun legsels komen meestal uit in juni. Soms broeden ze in groepen, slechts enkele meters uit elkaar. Elk slobeendenpaar brengt per broedseizoen 1 legsel groot. De kuikens zijn na 6 tot 7 weken vliegvlug. Hoge vegetatie in de buurt is van belang voor hun veiligheid. Als legsels in juni uitkomen is er op veel plekken maaigevaar. Het liefst kiezen slobeenden plekken met plas dras, weinig vee en in de buurt oevervegetaties.

De slobeend duikt nooit naar voedsel. Het is een zwemeend, die door de centrale plaats van de poten direct kan opvliegen van het water. Een aanloop is niet nodig.

Foto: Peter van Dam

De spatelvormige snavel heeft verticale lamellen. De eenden slobberen ermee in het wateroppervlak en eten er kroos, andere waterplanten en waterdiertjes. De snavel zeeft of filtert voedsel uit het water. Het voedsel blijft binnen en het water stroomt tussen de lamellen door weg. 

Slobeenden zijn in ons land jaarvogels. ‘Onze’ broedvogels (ongeveer 7500 paar) overwinteren in het zuiden. Noordelijke vogels (tot 22.000 vogels) nemen hun plekken in. Wintergroepen tellen 20 tot 30 eenden. Slobeenden pleisteren vaak in getijdengebieden met brak water. In het voorjaar keert ongeveer 95% van de slobeenden terug in de oude broedgebieden. Ze zijn plaatstrouw en laten zich gemakkelijk observeren. Daarom worden ze door wetenschappers op de voet gevolgd.

Peter van Dam


Nieuwsbrief november 2022

Watersnip

Ooit prachtig afgebeeld op het briefje van 100 gulden, maar  daar is hij al uitgestorven: de watersnip. Gelukkig is dat in de natuur nog niet het geval. Ook in de winter kun je hem zien, bijvoorbeeld in de Vreugderijkerwaard.

Foto: Peter van Dam

Platgedrukt tegen de grond valt hij niet op. Daarbij zijn z’n poten zo gespannen, dat hij onmiddellijk opvliegt als de vogel dat nodig vindt. Het gaat zo snel, dat hij pas opvalt als hij z’n luide kreet laat horen. Zie je hem toch gaan, dan volgt er plotseling een tweede, een derde, een vierde, vaak een hele groep.

Hoe langer de snavel van een steltloper, des te dieper kan deze in de grond worden geprikt op zoek naar voedsel. De watersnip heeft zo’n lange snavel en tast naar voedsel. De snip is zo’n tastjager en zoekt op gevoel. De watersnip jaagt niet op zicht, zoals zichtjagers als de kievit en andere plevieren, maar op de tast. In de snavelpunt zit een fijn netwerk van zenuwen, waarmee hij prooidiertjes voelt. De punt is buigbaar en wordt gebruikt als een pincet.Tastjagers hebben het voordeel, dat ze in groepen naast elkaar naar voedsel kunnen zoeken. Ze kunnen elkaars voedsel niet verjagen. Een voordeel van het foerageren in een groepen is, dat mogelijke predatoren eerder worden opgemerkt.

Foto: Peter van Dam

De watersnip heet ook wel hemelgeit. Dit komt door zijn bijzondere manier van baltsen, aandacht te trekken van een vrouwtje. Tijdens een aantal korte duikvluchten laat de watersnip zijn buitenste staartveren trillen. Dit klinkt mekkerend, net een geit. Als je door de Wieden of de Weerribben vaart, valt de watersnip pas op door het herhaaldelijk klinkende mekkeren. Dan is het nog vaak moeilijk hem te zien, want de baltsvlucht is vaak hoog en snel. Geduld hebben dus!

In Nederland broeden, na een teruggang van 75%, nog ongeveer 1500 watersnippen. Ze broeden alleen nog in reservaten. In de winter en op doortrek telt ons land tot 20.000 watersnippen. De achteruitgang is veroorzaakt door verdroging en ontginning van de broedgebieden. Ze hebben behoefte aan natte, kruidenrijke veengrond. In de Wieden en de Weerribben doen ze het nog prima.

Peter van Dam

Nieuwsbrief oktober 2022

IJsvogel – Alcedo atthis

De blauwe schicht of de blauwe flits! Twee bijnamen van de ijsvogel, die je pas begrijpt als je hem hebt zien vliegen. Laag over het water vliegend met die kobaltblauwe rugstreep en vaak luidkeels roepend. Het overige blauw wordt turqouise genoemd of zelfs emerald groen. Het teruggekaatste licht bepaalt samen met de structuur van de veren wat je ziet. Het wisselt voortdurend. De oranje buik zie je vaak pas, als de ijsvogel stil zit.

Foto : Peter van Dam

Onze ijsvogel eet veel vis en is daarom een piscivoor. Hij eet ook waterinsecten zoals de nimfen van libellen en waterkevers. In Afrika leven ijsvogels die met dezelfde dolksnavel alleen maar insecten eten, vooral kevers. Nooit vis!

IJsvogels hebben de pest aan ijs. Als dat er lang ijs is, wordt voedsel onbereikbaar. Ze gaan zwerven en vele verongelukken tegen ramen van woonboten en huisjes aan het water. In de winter overwinteren hier veel ijsvogels uit het buitenland. Strenge winters veroorzaken een sterke daling van het aantal ijsvogels. Het herstel daarna kan snel gaan, want ijsvogels hebben jaarlijks 3 legsels, met elk tot 6 of 7 eieren. Ze broeden vaak al in februari en gaan door tot en met augustus.

Alcedo is het Griekse woord voor koningsvisser. De naam ijzervogel komt van het Duitse Eisenvogel en verwijst naar de metaalglans van de vogel.

Foto : Peter van Dam

Het mannetje graaft een gang in een steile wand of in de kluit van een omgevallen boom. Die gang kan 1 meter lang zijn en heeft een doorsnede van 5 cm. De nesttunnel loopt schuin omhoog en eindigt in een holte. IJsvogels willen helder, licht stromend water. Maar er zijn meer geschikte plekken. Soms heeft een mannetje 2 of 3 vrouwtjes. Zij bewaken het nest en helpen af en toe even met bouwen. Na ongeveer een week is de klus af.IJsvogels vissen vanaf een tak of biddend boven het water. Ze duiken tot 1 meter diep, maar 25 cm is vaak al genoeg. Het knipvlies, een doorzichtig extra ooglid, beschermt de ogen als een duikbril. Vis wordt dood geslagen op een tak.

Het verenkleed krijgt ongeveer 6 keer per dag een poetsbeurt van een kwartier. Met de binnenkant van de vleugels wordt de kop geveegd. IJsvogels baden vaak en lang. 

Het nest raakt gevuld met braakballen.

Peter van Dam

Nieuwsbrief september 2022

Kwak  – Nycticorax nycticorax

Foto: Peter van Dam

De kwak is een kleine, wat gedrongen reiger. Hij laat zich overdag maar zelden zien, omdat hij de dag gebruikt om te slapen. De kwak is een nachtreiger, die vooral ’s nachts op pad is. In het gebied van Wieden en Weerribben kun je hem soms spotten in De Auken en ook bij de Wiedekiek, een vogelhut bij Dwarsgracht. 

Foto: Peter van Dam

Bij dit spotten gaat het vooral om zijn roep. De kwak roept luid en duidelijk “kwak”. Daarbij viel me het volgende op. In een gebied met duizenden kikkers en padden viel in hun concert soms een stilte. Waren ze af en toe ‘moe van zichzelf’? Toen vlakbij een kwak zich nadrukkelijk liet horen, reageerden de amfibieën direct met het vervolg van hun samenzang. Dit voorval herhaalde zich vaak. Zou de kwak z’n stem in het donker laten horen om precies te weten waar zijn voedsel kwaakt? In de literatuur heb ik hierover nooit iets gevonden. 

De kwak is een nachtreiger. Hij kan goed zien in het donker. Overdag verstopt hij zich in moerasbos. Het is daarom moeilijk om vast te stellen hoeveel kwakken er werkelijk zijn. Waarschijnlijk bestaat het aantal echt wilde kwakken in ons land uit ongeveer 25 broedpaartjes. Daarnaast vliegen tientallen kwakken rond, die afkomstig zijn uit o.a. Artis en Blijdorp. Zij laten zich wat gemakkelijker zien. 

Foto: Peter van Dam

De kwak broedt graag in kolonies. Uit de vorige eeuw zijn grote kolonies bekend van om en nabij 100 paartjes. Door het rapen van eieren en door biotoopverlies verdween de kwak bijna. Kwakken broeden graag samen met koloniebroeders zoals de aalscholver. 

Ze leggen 3 tot 5 eieren, die na ongeveer 3 weken uitkomen. Na 3 weken verlaten de jongen het nest terwijl ze nog niet kunnen vliegen. Na 40 tot 50 dagen kunnen de jonge vogels vliegen. De jongen zijn bruin en hebben veel witte vlekken.

In Nederland ligt de noordgrens van hun verspreidingsgebied. Om te overwinteren vliegen de kwakken naar de kustgebieden van Senegal en Gambia, ten zuiden van de Sahara. 

Peter van Dam

Nieuwsbrief augustus 2022

Zuringrandwants – Coreus marginatus

De meeste insecten zie je een bepaalde tijd van het jaar. Dan komen ze te voorschijn om zich voort te planten en verdwijnen ze kort daarna. Bij de zuringrandwants is dat anders. Deze soort overwintert als nimf of als imago. Als de buitentemperatuur het toelaat is hij het hele jaar te zien in verschillende ontwikkelingsfasen. Deze wants heet ook zuringwants, lederwants en fluweelbruine randwants.

Het lichaam van de zuringrandwants ziet er indrukwekend uit. Het borststuk heeft brede ‘schouders’. Het achterlijf heeft een brede, platte en gestreepte rand. De rand steekt uit buiten de vleugels. Het middenstuk is daardoor smaller.

Foto: Peter van Dam

De beide oranje sprieten met zwart uiteinde zijn half zo lang als het lichaam. Tussen de sprieten staan 2 scherpe punten. De sprieten van de nimfen zijn nog langer en hun lichaam is flink gestekeld.

Zuringrandwantsen worden vooral gezien op soorten zuring, rabarber en duizendknoop in vochtige bosranden, hooilanden, parken en bermen. Ze zonnen graag op een blad en steken daarbij af tegen het groen met hun bruine, leerachtige uiterlijk. In het najaar zijn ze vaak zwartbruin.

De zuringrandwants wandelt schokkerig, maar rennen kan hij ook. Bij gevaar laat hij zich direct vallen of vliegt snel weg. Tussen het tweede en derde paar poten zitten klieren die een stinkend vocht maken. Dit laat bruine vlekken achter op je huid, die niet gemakkelijk zijn te verwijderen. Soms sproeit de zuringrandwants het goedje tijdens het vliegen. De wantsen gebruiken het bij hun onderlinge communicatie; vlak voor de paring of na een gevecht.

Foto: Peter van Dam

De eitjes worden gelegd van mei tot en met juni. De nimfen komen uit na 3 tot 5 weken. Ze brengen 5 verschillende fasen door voordat ze volwassen zijn. Nimfen leven in het begin van plantensappen.

De zuringrandwants lijkt op de snuitkeverschildwants. Beide soorten zitten vaak naast elkaar op bloemen. Imago’s steken hun uitschuifbare steeksnuit het liefst in de vruchten van de waardplanten om sappen te tanken.

Peter van Dam

Grote groene sabelsprinkhaan – Tettigonia viridissima

De mannetjes van de grote groene sabelsprinkhaan sjirpen vaak luid en duidelijk tussen 3 uur ’s middags en 3 uur in de nacht. Het geluid klinkt als een repeteerwekker. Ze maken het ratelende geluid door het snel tegen elkaar wrijven van de voorvleugels. Als het kouder wordt stoppen ze eerder met hun zang of ze klimmen in een boom omdat het daar wat warmer is dan op de grond. Ze houden niet van in de zon zitten. De vrouwtjes ‘zingen’ niet. Zij luisteren. 

De grote groene sabelsprinkhaan is één van de grootste insecten in ons land. Hij komtbijna overal voor, ook in tuinen. Grote groene sabelsprinkhanen hebben een hekel aan echt natte gebieden, tenzij de vegetatie daar droog staat. 

Foto: Peter van Dam

Het lichaam van deze sprinkhaan is 30 tot 40 mm lang. Met de sabel (legboor) erbij haalt het vrouwtje 57 tot 78 mm. Het mannetje haalt door de langere vleugels 58 tot 74 mm. De grote groene sabelsprinkhaan lijkt op de wrattenbijter, maar die is gedrongen en heeft kortere vleugels. De legboor van de groene sabelsprinkhaan is recht en die van de wrattenbijter buigt omhoog. De grote groene sabelsprinkhaan is bijna helemaal groen. Soms zijn ze meer geel. Er loopt een bruine streep over het midden van de kop, de hals en een deel van het achterlijf. De achterpoten zijn langer dan de andere poten samen. 

Foto: Peter van Dam

Het vrouwtje legt meer dan 200 eitjes één voor één of in pakketjes in losse grond onder lang gras. Ze overwinteren daar 2 to 8 jaar, afhankelijk van de omstandigheden boven de grond. Wellicht speelt de vochtigheidsgraad en de temperatuur daarbij een rol. De nimfen worden na 6 tot 9 vervellingen volwassen. In het begin zie je alleen een aanzet van vleugels. In het laatste stadium hebben ze vleugels en kunnen ze vliegen. 

Velen denken dat de grote groene sabelsprinkhaan veel schade veroorzaakt aan gewassen. Dat is niet waar. Deze sprinkhaan eet juist vliegen, rupsen en veldsprinkhanen. Ze vullen het menu aan met planten. 

De eerste nimfen verschijnen in de lente. Vanaf juni zijn er volwassen dieren. Ze lopen liever dan springen of vliegen. Pas wel op, ze kunnen bijten. Zelf worden ze gegeten door de vale vleermuis en de klapekster. 

Peter van Dam

Nieuwsbrief juni 2022

Vuurwants – Pyrrhocoris apterus

Foto: Peter van Dam

Alom is bekend dat dieren waarschuwingskleuren gebruiken. De combinatie zwart met geel wordt wellicht het meest gebruikt. Ook de combinatie zwart met rood wordt gebruikt om te waarschuwen. Dragers daarvan worden hierdoor beschermd tegen eters. Dit verschijnsel in de natuur heet mimicry.

De vuurwants hoort bij de diertjes, die zelfs mensen op afstand houden. Zien die er meer dan 10 bij elkaar, dan is al snel sprake van ‘een plaag’! Van een plaag is hier nooit sprake.

De vuurwants is een onschuldig insect dat niet gevaarlijk is en ook geen schade veroorzaakt, bijvoorbeeld aan gewassen. Deze wants is een planteneter, die zich ook tegoed doet aan dode en levende insecten.

Vuurwantsen verdedigen zich op twee manieren: ze steken soms met de steeksnuit waarmee ze normaal sappen drinken. Ook produceren ze net als andere insecten een geel goedje, dat enorm stinkt. 

De naam Pyrrhocoris apterus vertelt veel over de vuurwants. Pyrrhocoris komt uit het Grieks en betekent rood insect. Apterus betekent ‘geen vleugels’ en verklapt dat deze wants niet kan vliegen. Een volwassen vuurwants heeft wel vleugels, maar die zijn te kort om te kunnen vliegen. Ze zijn verhard en beschermen het onderliggende deel van het lichaam. De lengte ervan wordt mede bepaald door de omstandigheden in de omgeving. 

De aanwezigheid van een kerncentrale en zelfs papier hebben veel invloed.

Foto: Peter van Dam

Het imago is te herkennen aan de zwarte stip op elke vleugel. Elke stip ligt tegen de rode achterrand van een vleugel. Het zwarte achterlijf is verdeeld in segmenten. Die zie je ook in het rode achterlijf van de nimfen.

Tot lange tijd na de paring zitten twee vuurwantsen aan elkaar. Dat kan 12 uur duren, maar ook een week. Hiermee voorkomen de diertjes, dat het sperma door andere mannetjes wordt uitgeworpen. 

Vuurwantsen leven in groepen in de buurt van lindebomen en kaasjeskruid. Ze leggen hun eitjes in ondergrondse tunnels. De nimfen hebben in het zwart per stadium een volgende stap in de ontwikkeling van de vleugels. Meestal zijn er 5 stadia, maar soms ook 6 of 7.

Vuurwantsen drinken sappen met meer dan 35 verschillende afweerstoffen. Die worden door mensen gebruikt om antibiotica van te maken, bijvoorbeeld tegen de MRSA-bacterie.

Vuurwantsen worden soms ‘bewoond’ door mijten. In de Verenigde Staten werden op 1 vuurwants meer dan 120 mijten geteld en ook nog eens meer dan 50 eitjes van mijten. Mijten zijn kleine spinnen, die parasitair leven.

Nieuwsbrief mei 2022

Bloedcicade – Cercopis vulnerata

Foto: Peter van Dam

In mei verschijnen klodders spuug in planten. Die worden veroorzaakt door de nimfen van het spuugbeestje of schuimcicade. De meeste natuurliefhebbers kennen het verhaal en weten dat pakkend te vertellen aan met wie ze op pad zijn. 

Het verhaal is echter ingewikkelder. Het spuugbeestje is één van de schuimcicaden. De bloedcicade hoort ook bij die familie. Ook de nimf van de bloedcicade woont in een nest van schuim. Dat schuimpakketje zit tussen de wortels van planten, vooral grassen, verstopt onder de grond. De nimfen zuigen sappen uit de wortels met hun steeksnuit. Van hem vind je dus nooit spuug in de vegetatie. Je krijgt het nooit te zien. Als de nimfen voedsel opnemen, krijgen ze veel vocht binnen. Dat wordt met eiwitten ‘tot schuim geklopt’. Het gestolde vocht beschermt de witte nimfen tegen uitdroging en predatie door bodemdiertjes. 

In Engeland heet de bloedcicade vrij vertaald zwartrode springkikker. Schuimcicaden hebben stevige achterpoten. Bij gevaar maken ze onverwacht grote sprongen en zijn dan snel verdwenen. De bloedcicade vliegt alleen als er voedsel wordt gezocht. Net als de kleurcombinatie geel – zwart is ook de combinatie rood – zwart bedoeld om eventuele vijanden af te schrikken. Voor die van de schrik zijn bekomen, is de bloedcicade al gevlucht. 

Foto’s: Peter van Dam

Van de 40.000 cicaden is er één soort die je zou kunnen verwarren met de bloedcicade: de dennencicade. Die is rood met zwarte stippen. Je komt ze nooit samen tegen. De bloedcicade komt niet voor bij dennen.

Volwassen bloedcicaden gebruiken ook een steeksnuit om energie uit planten te zuigen. Het mannetje wappert met zijn vleugels om een vrouwtje te lokken. Zij legt haar eitjes in een boom. Die overwinteren en komen uit in de lente. De temperatuur bepaalt hoe snel de ontwikkeling van de nimfen gaat. 

De schade die bloedcicaden veroorzaken is eigenlijk het benoemen niet waard. Soms vervormen ze bladeren of stengels. Geen enkele reden om dit prachtige insect te bestrijden. Gewoon niet meer over hebben!

Peter van Dam

Nieuwsbrief april 2022

Blokhoofdwesp – Ectemnius spec.

Foto: Peter van Dam

In onze tuin staat nog een oude stronk van een berk. Begin juli 2020 zat onderin een gat met een doorsnede van 0,5 tot 1 cm. Een diertje had daar veel zaagsel uit verwijderd. Dat lag overal aan de voet van de boom. Een insect? Observeren vanuit de tuinstoel. Al gauw zagen we de eigenaar van het hol. Een zagende op borende graafwesp. Determinatie via Waarnemingen.nl leverde een naam op: blokhoofdwesp. 

Welke soort blokhoofdwesp is nog niet duidelijk. In ons land leven 11 soorten en de onderlinge verschillen zijn zo klein, dat je die in het veld niet gemakkelijk herkent. Vandaar het woordje spec. na de geslachtsnaam, wat species of soort betekent. Ectemnius spec.staat voor ‘soort blokhoofdwesp’. Hierna volgt een aantal beschrijvingen van blokhoofdwespen, die vaak algemeen zijn en soms specifiek.

Blokhoofdwespen zijn te herkennen aan hun forse, vierkant lijkende kop. De ogen zijn groot en zwart glanzend. Op het voorhoofd sieren vaak gele plekken en ook de poten zijn gedeeltelijk geel gekleurd. 

Blokhoofdwespen vangen voor hun jongen allerlei vliegen, waaronder de snorzweefvlieg. Ze gebruiken bloemschermen zoals de wilde peen als jachtgebied. Een prima plek om nectar te tanken. Ze zijn daar vaak. 

Foto: Peter van Dam

Blokhoofdwespen kiezen vaak vermolmd hout om er hun nestholte in te maken. Een scheur in de boomschors kan daarvoor een begin zijn. De berk is een boomsoort waarin blokhoofdwespen vaak ‘nestelen’. Regelmatig bevinden zich diverse ingangen naast elkaar. De blokhoofdwespen leven alle op zichzelf, solitair, maar wel samen. Bij elkaar levende blokhoofdwespen komen elkaar soms tegen in de hoofdingang, wat leidt tot schermutselingen.

Je zou een blokhoofdwesp kunnen verwarren met een bijenwolf. De laatste is veel groter, heeft rode ogen en hij heeft dunne zwarte strepen in veel geel. Bij blokhoofdwespen zijn er bredere zwarte strepen en blijft minder ruimte voor het geel.

Foto: Peter van Dam

Blokhoofdwespen? Ik kijk er naar uit. 

Peter van Dam

Nieuwsbrief maart 2022

Gele strontvlieg – Scathophaga stercoraria

Iedereen heeft hem wel eens gezien, maar hoe heet hij nou? In het ene boek lees je drekvlieg en in het andere strontvlieg. 

Je kunt de vliegen verdelen in verschillende families, zoals de zweefvliegen en de wolzwevers. Een andere familie heet drekvliegen. Die familie bestaat uit 49 geslachten. De strontvlieg is een soort drekvlieg. Het geslacht strontvlieg telt 40 soorten. De soort op de foto’s is de gele strontvlieg.

Foto: Peter van Dam

De wetenschappelijke geslachtsnaam Scathophagabetekent ‘poep eter’. Linnaeus gaf de naam in 1758. Maar hem ontbrak, zo lijkt het, de tijd om de vlieg goed te bestuderen. Strontvliegen eten geen poep! De strontvlieg valt op door de kleur en de lange poten. Het mannetje is goudgeel en het vrouwtje grijsgroen. Hij is iets groter dan zij. De haren aan de onderkant zijn geel en aan de bovenkant zwart. De gele beharing van de poten van het mannetje heeft gezorgd voor de naam gele strontvlieg. Op de ronde kop met rode ogen staan twee korte zwarte tasters recht naar voren. 

Strontvliegen drinken nectar. Ook vangen ze vooral andere soorten vliegen en zuigen die leeg met hun zuigsnuit. Strontvliegen planten zich voort op poep. Bij voorkeur op koeienvlaaien. Die drogen minder snel op. De mannetjes zitten in groepen te wachten op een vrouwtje. Eén van de mannetjes eist haar op en paart met haar. De eitjes zijn rood en 1 mm groot. De witte larven hebben nepvleugeltjes. Niet om te vliegen, maar om niet in de vlaai te zakken. Zij eten mest, voedsel genoeg. In één vlaai leven ongeveer 2000 larven. Een vrouwtje legt 100 tot 150 eitjes. De maden verpoppen onder of naast de mest. Na 1 week komt een nieuwe vlieg te voorschijn. De laatste generatie overwintert als vlieg. In slappe winters blijven ze actief.

Een schimmel is vijand van de strontvlieg. Een besmette en stervende vlieg klimt in een plant en neemt een paarhouding aan. Raken  geïnteresseerde soortgenoten de sterveling, dan blijven schimmelsporen plakken.

Peter van Dam

In het verleden had elke boerderij een open mestvaalt. De hop broedde in die tijd altijd vlakbij. Hij zocht er in de mest naar strontvliegen en andere insecten. Dit bezorgde hem zijn twee naam: drekhaan.

Peter van Dam

Nieuwsbrief februari 2022

Roerdomp – Botaurus stellaris

De roerdomp is een reiger. Dat zie je vooral als je hem ziet vliegen. Roerdompen vliegen ‘op z’n reigers’ met een ingetrokken hals. Roerdompen kunnen 80 cm lang worden. Dat is niet veel kleiner dan de blauwe reiger, die 100 cm haalt. Roerdompen eten graag vis, maar grote insecten, amfibieën en kleine zoogdieren zijn ook welkom.

Foto: Peter van Dam

De kleur van de roerdomp heeft veel weg van winters riet. Donkere strepen zorgen ervoor dat de vogel prima schutkleuren heeft. Bij gevaar staat de roerdomp doodstil en strekt zijn nek zover mogelijk, waarbij de snavel loodrecht omhoog wijst: de paalhouding. De wetenschappelijke soortnaam stellaris betekent sterrenkijker. Waarschijnlijk heeft de paalhouding hem die naam bezorgd. Het is wel oppassen geblazen. Je denkt al gauw dat de roerdomp in paalhouding omhoog kijkt. De foto rechtsboven laat al zien dat dat niet zo is. Een roerdomp kijkt dan gewoon recht voor zich uit, langs de snavel. Als iemand hem dan wil pakken, prikt de vogel snel naar de ogen van zijn belager.

De roerdomp komt in de problemen als in de winter al het water dichtvriest. Vele staan aan de rand van dat ijs te wachten tot de dooi zijn werk heeft gedaan. Rietsnijders vinden juist dan een uitgehongerde of inmiddels gestorven roerdomp. 

Vogelaars hebben lang gedacht dat de roerdomp een standvogel is. Die mening is bijgesteld toen in de winter van 2002 langs de smalle stroken riet van het Vossemeer wekenlang ruim 30 roerdompen werden gezien. Zij zochten ook voedsel op het ijs, maar bleven wel uit elkaars buurt. Dat moeten trekvogels zijn geweest, wellicht afkomstig uit het oosten van Europa. Nederland was ooit het bolwerk van de roerdomp in het westen van Europa. Daarvan is maar weinig over. Nu vormen de Weerribben en Wieden wellicht het belangrijkste aaneengesloten leefgebied voor de roerdomp. Het aantal broedparen in Nederland zal rond de 300 liggen.

Foto’s: Peter van Dam

Als de roerdomp aandacht trekt van soortgenoten, hoempt hij. Hij blaast met kracht lucht door de (neus)gaten in zijn snavel. De snavel blijft daarbij gesloten. Hoempen klinkt als het geluid van een misthoorn. Met wat fantasie hoor je dat hij roerdomp hoempt.

De afgelopen drie jaar lieten twee roerdompen zich dagelijks zien naast het winkelcentrum Stadshagen. Snel gewend aan de vele wandelaars en fietsers was dit de gelegenheid voor veel vogelaars om hem vanaf de stoep te observeren en te fotograferen.

Peter van Dam

Nieuwsbrief januari 2022

Witoogeend – Aythya nyroca 

Witoogeenden zijn duikeenden. Ze zijn naaste verwanten van o.a. kuifeend en tafeleend. Ook zij horen bij het geslacht Aythya. De witoogeend is een stuk kleiner dan de wilde eend en iets kleiner dan de kuifeend. Witoogeenden duiken naar hun voedsel. Dat bestaat uit onderwaterplanten zoals kranswieren en uit waterdiertjes zoals slakjes. Anders dan je van duikeenden verwacht, grondelen witoogeenden regelmatig. Ook slobberen ze waterplanten van het wateroppervlak. 

Je ziet de kleuren van de witoogeend het best als er zon is. Bij bewolkt weer lijkt deze eend donkerbruin tot zwart. Het mannetje heeft een warme roodbruine kleur. Het vrouwtje is valer. Hun rug is zwart. Alleen de mannetjes hebben een wit oog. Het oog van de vrouwtjes is bruin. Onder de staart is de eend wit en alleen bij het vliegen zie je witte vleugelstrepen. 

Foto: Peter van Dam

Tijdens het controleren van de vlotjes van de zwarte stern zagen vrijwilligers van de sterntjesgroep halverwege juli in 2019 een tweetal witoogeenden op en tussen de vlotjes. Op dat moment waren de zwarte sterns al gevlogen. Op de foto’s is te zien, dat het twee mannetjes waren. Beide vogels hadden witte ogen. Een witoogeend in park Weezenlanden rond de jaarwisseling naar 2022 trok veel vogelaars naar die plek om de vogel te bekijken.

Het plassengebied van De Wieden ligt op de noordwestgrens van het verspreidingsgebied van witoogeenden. Witoogeenden horen thuis op de lijst van Nederlandse broedvogels, hoewel ze hier nog maar zelden broeden. In 2010 werden nog slechts 3 broedgevallen geteld. Vooral in de Donaudelta leven nog veel witoogeenden. In 2012 is in Duitsland een herintroductieproject gestart voor witoogeenden. De vogels die je hier ziet, kunnen dus ook op reis zijn vanuit dat project.

Foto bij park Weezenlanden: Warner Bruins Slot

Witoogeenden worden veel in gevangenschap gehouden. Als wij deze eenden zien, is er een aantal mogelijkheden wat betreft hun herkomst. Zijn ze niet schrikachtig en gedogen ons min of meer, dan is de kans groot dat het ontsnapte vogels zijn. Reageren ze alert en gaan er al op grote afstand vandoor? Dan zijn het waarschijnlijk wilde vogels. In ons land worden de meeste witoogeenden gezien in de winter. Hun aantal is echter zo klein, dat niet alle vogelaars deze soort al op hun soortenlijst hebben staan. Tijdens het broedseizoen verstoppen ze zich zo goed dat ze nauwelijks opvallen.

Peter van Dam

Nieuwsbrief december 2021

Ekster – Pica pica

Foto: Peter van Dam

Er zijn maar weinig soorten vogels die vrijwel direct door mensen worden herkend. De ekster is daar één van. Veel mensen hebben een hekel aan de ekster, want “zij eten alle jonge vogels uit de tuin” en “zo blijft er geen merel over”. Het is waar dat de ekster ook jonge vogels eet. Maar het heeft nauwelijks invloed op de vogelstand. Bovendien zijn er veel meer vogelvangers. Katten vangen er een paar miljoen per jaar.

Eksters zijn kraaien. Dat is te zien aan hun kop. Die lijkt op de kop van de zwarte kraai. 

De ekster is verder veelkleurig net als andere kraaien, zoals de gaai en de notenkraker. 

Foto: Peter van Dam

De lichtinval bepaalt welke kleuren de vleugel en de lange staart hebben. De ene keer zie je blauw, daarna groen of paars. Het is maar net hoe invallend licht wordt teruggekaatst.

Eksters zijn alleseters. Ze eten vooral insecten, bijvoorbeeld emelten uit de grond. Ze eten ook regenwormen, zaden en afval van mensen. Bij de frietkraam vinden ze restjes friet en onder prullenbakken alles wat wij niet meer eten.

Van eksters is altijd beweerd dat ze dol zijn op alles wat glinstert. Wij hebben de ervaring dat het waar is. Ineens waren we een sleutel kwijt! We vonden hem terug in de tuin bij de voordeur, nadat een groepje eksters grote belangstelling toonde.

Eksters vormen jeugdbendes en maken daar soms drie jaar deel van uit. Iedereen heeft wel eens zo’n groepje rondtrekkende eksters gezien. Met veel kabaal en onderlinge ‘ruzies’ trekken ze door woonwijken. 

Eksters hebben het niet gemakkelijk. Overal loert gevaar. Op het platteland worden ze verjaagd door de zwarte kraai en gevangen door haviken. In binnensteden kunnen ze nauwelijks leven. De enige plekken waar ze zich redelijk staande houden zijn de randgebieden van dorpen en steden. Daar is groen en bovendien veel te eten.

Op hun nest bouwen ze van stekeltakken een veilige overkapping tegen de havik. Het heeft er lang naar uit gezien, dat dit niet meer nodig was. Er waren immers geen haviken meer door het DDT-gebruik van de mens. Nu kan de ekster het ‘dak’ weer goed gebruiken.

Eksters slapen samen met roeken en kauwtjes. Dat valt niet zo op, omdat de eksters pas verschijnen op de slaapplaats, als het al donker is.

Foto: Peter van Dam

Voor eksters is het jammer dat iedereen hem herkent en veroordeelt, waarbij zijn permanente gevangenispak een belangrijke rol speelt.

Peter van Dam

Nieuwsbrief november 2021

Visarend ~~ Pandion haliaetus

Foto: Peter van Dam

De visarend van het portret in dit artikel kent een bijzonder verhaal. Jaren terug zat een visser in zijn roeiboot op de Wijde Aa bij Zwolle te vissen, toen er met een klap een grote roofvogel op de gevangen vis in zijn boot viel. De man schrok enorm en was onmiddellijk onder de indruk van de stevige klauwen van de vogel. Hij bedacht zich niet en gooide een jas over de vogel. Via de telefoon meldde hij de dierenambulance dat hij een kiekendief had gevangen.

De dierenambulance bracht de vogel naar vogelasiel De Oehoe in Nieuwleusen. Asielhouder Aaldert Kreeft zag direct dat het een visarend was. Aan de lichte randjes langs de veren zag hij ook dat het een jonge vogel was. De vogel was mager en had lang niet gegeten. Wat nu? Tot en met de Vogelbescherming werd elk vogelasiel om raad gevraagd. Het bleek de eerste visarend te zijn die in ons land in een vogelasiel was beland. Niemand had ervaring en advies. 

De jeugd uit de buurt bracht vers gevangen vis naar het asiel, maar de visarend wilde niet eten. Ten einde raad koos men voor de hulp van postelastieken. Vis werd in de snavel van de arend gepropt. Vervolgens hielden elastieken de snavel dicht. De vogel moest nu wel vis doorslikken. Een paar weken later was de visarend aangesterkt en werd weer vrijgelaten. Hij heeft maandenlang bij Windesheim rondgezworven.  

Foto: Peter van Dam

Europese visarenden gebruiken de IJssel op hun voor- en najaarstrek. In de periodes april mei en augustus september vliegen en vissen veel visarenden bij de IJssel, maar ook in de Wieden en de Weerribben. Je herkent de visarend aan zijn zwart-witte verenkleed, het donkere masker en de knik in de vleugels tijdens het vliegen. De spanwijdte ligt tussen 1.50 en 1.70 meter. De visarend weegt anderhalf tot 2 kilogram. De visarend bidt boven het viswater. Als een vis wordt gezien, slaat hij toe. Soms vangt hij een vis die zwaarder is dan hijzelf. Het lukt af en toe om in één keer twee vissen te vangen.

Vogelaars hadden deze vogel eerder als broedvogel voorspeld dan de zeearend. Daar waar ze beide broeden, eet de zeearend van visresten onder het nest van de visarend. Het eerste paar Nederlandse visarenden broedde in 2016 in de Biesbosch.

Elk jaar trekken 500 tot 1000 visarenden door Nederland, waarvan vele tientallen langs de IJssel tussen Hattem en Zwolle. Vaak blijven ze wekenlang in ons land. Vele overwinteren langs de Afrikaanse kust van bijvoorbeeld The Gambia.

Peter van Dam

Nieuwsbrief oktober 2021

Kuifeend – Aythya fuligula

Foto: Peter van Dam

Terwijl kuifeenden al heel lang deel uitmaken van de Nederlandse avifauna, zijn er nog steeds mensen die verbaasd zijn als ze hem voor het eerst ‘zien’. Vaak is dit nadat een vogelaar of een andere natuurliefhebber ze op deze duikeenden heeft gewezen. Het valt niet altijd mee om te tellen hoeveel kuifeenden ergens zwemmen, want hoeveel zijn er eigenlijk onder water? Zie je ze wel eens allemaal tegelijk? 

De woerd is gemakkelijk te herkennen. Een zwarte eend met witte flanken en een kuif. Het vrouwtje is donkerbruin met af en toe wat wit achter de snavel. Zij heeft een minder grote kuif. Meestal zwemmen ze samen. Alleen in de winterperiode zou je de kuifeend kunnen verwarren met een andere duikeend: de topper. Die is groter, heeft een zilvergrijze rug, een ronde kop en de kuif ontbreekt. Kuifeenden hebben een donkere rug. 

Kuifeenden zijn omnivoor, alleseter. Ze duiken 3 tot 5 meter, op zoek naar waterdiertjes en waterplanten. Ze duiken naar zoetwatermosselen. De kuifeend op de grote foto heeft zijn snavel vol met driehoeksmosselen. Die leven op een harde ondergrond. De stenen oevers van de Randmeren zijn voor deze driehoeksmosselen ideaal. Vandaar de grote aantallen kuifeenden in Flevoland. Veel driehoeksmosselen liften mee met zwanenmosselen. Omdat driehoeksmosselen water filteren, vergroten zij de helderheid van het water. Ze eten bovendien blauwalgen. Voor vissen en kuifeenden zijn driehoeksmosselen een belangrijke voedselbron. 

Foto: Peter van Dam

Kuifeendvrouwtjes leggen 8 tot 11 eieren. Toch liggen in hun nest soms veel meer eieren. Een tweede vrouwtje moet er eieren bij hebben gelegd. Na 45 – 50 dagen kunnen de eendenkuikens vliegen. Nederland telt meer dan 20.000 broedpaartjes kuifeend. Vanaf september trekken zij naar Zuid Europa. Daar krijgen ze te maken met Franse jagers. Begin april keren de overlevenden terug naar ons land. 

Uit het noorden en oosten van Europa overwinteren hier meer dan 200.000 kuifeenden. Meer dan 60% hiervan zwemt op het IJsselmeer. Door de opwarming van de aarde blijven meer eenden in het noorden.

Peter van Dam

Nieuwsbrief september 2021


Gehakkelde aurelia – Polygonia c-album

Foto: Peter van Dam

Als de gehakkelde aurelia stil zit, lijkt hij op een dor blad. De grote variatie aan kleuren oranje en bruin en de bijzondere vleugelvorm met golvende achterrand, past precies in een omgeving met dor blad. Je ziet een gehakkelde aurelia meestal pas als hij vliegt. In het begin denk je een kleine vos te zien, maar de kleuren en de vorm van de vleugels zijn toch echt anders. Gelukkig gaat de vlinder meestal ergens zitten en kun je hem bekijken.

‘Gehakkeld’ wijst natuurlijk op die achterrand. Aan de onderkant hebben de achtervleugels een witte letter C. Vandaar c-album in de wetenschappelijke naam. Friese naam: C-flinter. Engels: Comma butterfly.

De gehakkelde aurelia houdt van vochtige bossen en stadstuinen. De eitjes worden vooral gelegd op de grote brandnetel, maar ook op hop, ribes, wilg en hazelaar. Opvallend is dat de ontwikkeling van de rups op de brandnetel drie keer zo snel gaat als op de ribes. Ook bijzonder is dat deze vlinder vaak nectar zoekt op droge graslanden.

De rupsen van de gehakkelde aurelia lijken op een vogelpoepje. Meestal zijn er twee generaties in ons land. In Scandinavië is 1 generatie en in Zuid Europa zijn er zelfs 3.

De vlinders overwinteren onder boomwortels, in boomholtes of tussen takken en bladeren. 

Foto: Peter van Dam

De gehakkelde aurelia’s die we al in maart zien, zijn overwinteraars die als vlinder hebben overwinterd. De mannetjes van de gehakkelde aurelia’s verdedigen een territorium van 12 m² vanaf een vaak hoog gelegen zonnige en windstille uitkijkplek. Indringers worden verjaagd met een spiraalvormige achtervolgingsvlucht. In een geschikt gebied zijn 8 tot 20 territoria per hectare.

De gehakkelde aurelia strekt tijdens het vliegen regelmatig de vleugels en maakt daardoor glijvluchten. Deze vlinder naar je tuin lokken? Leg dan ergens rottend fruit neer!

Nieuwsbrief augustus 2021

Kattenstaartdikpoot – Melitta nigricans

Foto: Peter van Dam

Al bijna 20 jaar geniet ik van al het plantaardig en dierlijk leven in en rond mijn tuinvijver. Soorten komen en gaan. Eén van mijn favoriete planten is de kattenstaart, die een aantal zomerweken de tuin kleurt. Insecten tanken er nectar. Bij zonnig weer zie je er altijd honingbijen.

In 2019 viel me op dat een bijenwolf daar een bij ving. Ik dacht eerst dat een honingbij het slachtoffer was, maar het was een kattenstaartdikpoot! Nog nooit van gehoord en dus ook niet herkend! De kattenstaartdikpoot is een wilde bij van iets meer dan 1 cm groot. De mannetjes zijn iets kleiner dan de vrouwtjes. Een andere naam is kattenstaartbij. Deze wilde bij hoort bij de dikpootbijen. In ons land leven 4 soorten.

Dikpootbijen lijken veel op zandbijen (andrena’s). Ze gebruiken echter een minder lang stuk van hun poten om stuifmeel te vervoeren. Ze bevochtigen het stuifmeel met nectar, waardoor het steviger en donkerder wordt. De kattenstaartdikpoot is in 1905 voor het eerst beschreven door de Duitse entomoloog Alfken. Een tijdlang lag zijn noordgrens in Nederland bij Zwolle. Dikpootbijen zijn monolectisch: ze bezoeken slechts één soort bloem en zijn daarvan helemaal afhankelijk. De naam kattenstaartdikpoot verraadt al welke plant dat is. Je ziet de kattenstaartdikpoot alleen in de bloeitijd van de kattenstaart.

Foto: Peter van Dam

De mannetjes zijn er gemiddeld 3 weken eerder dan de vrouwtjes. Ze verkennen hun leefgebied en vormen gezamenlijke slaapplekken op de kattenstaart. Uiterlijk lijken ze veel op de vrouwtjes. Ze hebben meer bruin. De vrouwtjes graven een nest in de grond. Er is een hoofdgang met zijgangen en broedcellen. Ze impregneren de broedcellen met een zelf gemaakt smeersel tegen vocht. De ingang is moeilijk te vinden.

Kattenstaartdikpoten zijn bijna zwart. Het achterlijf heeft een aantal bandjes met witte haren. De sprieten van de vrouwtjes zijn wat langer. De stuifmeelpakketjes aan hun achterpoten zijn donkergroen. Deze wilde bij overwintert als larve in een zelf gesponnen cocon.

Tuinvijvers met kattenstaart zijn van levensbelang voor de soort. Een prima reden om kattenstaarten bij de vijver te planten! De zwartvoetsprietbij parasiteert op deze bij en de bijenwolf jaagt erop; ook boeiend om waar te nemen.

Peter van Dam

Nieuwsbrief juni 2021

Koninginnenpage – Papilio machaon

Foto: Peter van Dam

Als je het geluk hebt om een koninginnenpage te zien, herken je hem onmiddellijk. Het is de grootste dagvlinder in ons land en niet te verwarren met andere vlinders. In het zuiden van Europa leeft ook de koningspage, maar die komt hier niet voor. De koninginnenpage kan 8 cm groot worden. Soms duikt hij ineens op, vliegt vlak langs en voordat je van de ‘schrik’ bent bekomen is hij alweer verdwenen. Elke waarneming is een welkome verrassing!

De aantallen koninginnenpages in dit voorjaar verrassen iedereen. Bij vlindertellingen langs vaste routes in De Wieden werd hij tot nu toe nooit zo vroeg vastgesteld. Vanaf 2019 is hij voor het eerst geteld in augustus. Het waren er 3. In 2020 was het aantal 6. Nu, in het voorjaar, ligt het aantal koninginnenpages al op 58. Super! Dat belooft wat voor de rest van het jaar.

De koninginnenpage legt de eitjes één voor één op vooral wilde peen. Ook andere schermbloemen worden benut. In moerasgebieden wordt engelwortel graag gekozen. Andere soorten: bevernel, pastinaak en in tuinen venkel. De eerste generatie is van 26 april tot 5 juni. Dan wordt alleen gekozen voor wilde peen. De tweede generatie is van 11 juli tot 25 augustus. Dan komen andere schermbloemen in beeld. Soms is er in oktober een derde generatie. 

Foto: Peter van Dam

Tot en met de derde vervelling lijken de rupsen op een zwart met wit vogelpoepje. Na de vierde vervelling is een rups groen, met witte, zwarte en oranje vlekjes. In die tijd verdedigt de rups zich met het zogenaamde osmeterium: vlak achter de kop verschijnen twee oranje sprieten. Samen met nepogen lijkt de rups nu een slangenkop. Tegelijk is er een onaangename ananasachtige geur. Dit werkt tegen mieren, spinnen en sprinkhanen. 

De koninginnenpage overwintert als gordelpop. Die hangt in een gordeldraad aan de stengel van de waardplant. De eerste vlinders in het jaar zijn net ontwaakt uit die lange slaap. In een goed seizoen vliegen er gemiddeld 6 per hectare. Gezien de aantallen in het voorjaar van 2021 hebben veel koninginnenpages de winter bij ons doorgebracht.

Nadat een mannetje een vrouwtje heeft ontmoet, volgt een buitelende  dansvlucht. Daarna volgt de paring, die wel 2 uur kan duren. Dan zoekt het vrouwtje een waardplant die liefst wat alleen staat. Net als de vlinder worden ook de rupsen groot. Tot wel 5 cm. De vlinders drinken nectar van klavers, distels, schermbloemen en buddleja. De koninginnenpage ademt door gaatjes in de poten.

De mannetjes van de koninginnenpage doen aan ‘hill-hopping’. Ze kiezen samen een hoger gelegen punt en speuren van daar naar een vrouwtje. Het liefst zoeken ze een ruderaal terreintje, kruidenrijk grasland, moerasgebiedjes en tuintjes. 

Peter van Dam

Nieuwsbrief mei 2021

Koekoek – Cuculus canorus

Foto Peter van Dam – Koekoek: vrouw boven/ man onder

In de periode half april – mei keren koekoeken terug in ons land. Je hoort ze dan roepen. Tijdens dit bliksembezoek planten ze zich voort. In juni is het weer stil. De volwassen koekoeken zijn alweer vertrokken naar hun overwinteringgebieden ten zuiden van de Sahara. Jonge koekoeken zoeken zelf de weg naar het zuiden, als zij het nest waarin ze zijn opgegroeid hebben verlaten.

‘Onze’ koekoeken laten het uitbroeden van de eieren en het verzorgen van hun jongen over aan andere vogels. Dat heet broedparasitisme. Op aarde zijn tientallen andere soorten koekoeken, die de verzorging helemaal zelf doen. De koekoek heeft het erg druk met de voortplanting. Vrouwtje koekoek legt om de dag een ei en doet dat 8 tot 20 keer. Voor elk ei moet het nest worden gevonden van een zangvogel om dat ei in te leggen. 

Mannetje koekoek lokt de eigenaar weg en het vrouwtje legt haar ei. Om dat snel te kunnen doen heeft zij een uitschuifbare eilegbuis (cloaca). Tijdens de val van het ei in het zachte nest is zo de kans op breken klein. Als er genoeg tijd is, eet vrouwtje koekoek eieren op die al in het nest liggen. Of ze gooit die eieren over de nestrand. Lukt dat niet, dan is dat het eerste wat een jonge, op dat moment nog blinde, koekoek doet. 

Foto: Peter van Dam

In ons land leven 38 mogelijke waardvogels (o.a. kleine karekiet, heggenmus, graspieper). Koekoeken specialiseren zich in een waardvogel. Daarnaast kiezen ze een tweede soort voor als in legnood raken. Door die specialismen zijn er ‘koekoekstammen’. De keus op waardvogels is per gebied anders. In Duitsland worden veel roodborsten en winterkoningen bezocht. In Nederland niet. Door de achteruitgang van de tapuit is de ‘koekoekstam’ die daarbij hoort waarschijnlijk uitgestorven of veranderd.

Koekoeken hebben geen tijd voor een echt territorium. Een boom in de buurt is handig als uitkijk om waardvogels te ontdekken. Veel legsels van koekoeken mislukken omdat de waardvogel ze ontdekt. In het voorjaar van 2021 liet een aantal koekoeken zich goed zien in Langenholte. Het waren er minimaal 5. Eén ervan had een bruin verenkleed. Dat was een vrouwtje. De mannetjes en een groot aantal vrouwtjes is blauwgrijs. Bruine vrouwtjes zijn in veel gebieden zeldzaam, maar in andere juist veel voorkomend.

Mij zou het niet verbazen als een vrouwtje een kleine harem van heren heeft, die de gastouders van haar jongen zoekt. In Langenholte werd het vrouwtje voortdurend omringd door een aantal mannetjes.

Peter van Dam

Nieuwsbrief april 2021

Tronkenbij  – Heriades truncorum  

Foto: Peter van Dam

Onlangs was de nationale bijentelling. De soort die ik hier beschrijf werd volgens mij niet gezien. Je weet echter nooit, want hier en daar zijn wellicht plekjes waar de omstandigheden om te leven voor dit bijtje wel geschikt zijn. Tronkenbijtjes zijn klein van stuk. Ze bewonen graag bijenflats. Om dit interessante bijtje te kunnen observeren is een eenvoudige bijenflat aan te raden. 

Hoe succesvol een diersoort is, kunnen we vaak aflezen aan het aantal nakomelingen in een jaar tijd. Veel jongen betekent meestal dat de kans op vroege sterfte groot is. Weinig jongen betekent dat de kans hierop geringer is. De tronkenbij is een bij van 5 tot 7 mm lengte, niet echt groot. Het moet een succesvolle soort zijn, want het insect leeft gemiddeld een maand en produceert in die tijd slechts 8 eitjes.  

Tronkenbijen zoeken gangen van kevers in hout, afgeknotte resten van bomen, kieren in weidepalen, rieten daken, rieten matten en bijenflats van mensen in tuinen. Een doorsnede van 3 tot 4 mm is ruim voldoende. De naam tronkenbij komt van tronk. Dat is het onderste deel van een boom, dat na het omhakken of omvallen van de boom overblijft.  Het bestaat uit de wortels en een deel van de stam. Een stronk is geen tronk!  

Foto: Peter van Dam

De tronkenbij is zwart en heeft dunne, witte bandjes op het achterlijf. De mannetjes hebben kleine putjes in het achterlijf. Op hun kop en borststuk zijn wat gelige haartjes.  De vrouwtjes hebben gele buikharen, een buikschuier, waarmee ze stuifmeel verzamelen.  

Tronkenbijen zijn klein en hebben een korte tong. Ze verzamelen stuifmeel op composieten met buisbloempjes. Ze kloppen op de bloem met hun achterlijf. Het hierdoor dansende stuifmeel wordt verzameld tussen de buikharen.  

Voor het bevoorraden van elke broedcel zijn meer dan 30 vluchten nodig. Het stuifmeel komt niet van 1 soort plant. Soms kraakt een tronkenbij het nest van een ander of hij steelt het stuifmeel. Mannetjes zitten altijd op vrouwtjes te wachten.  

Foto: Peter van Dam

Tronkenbijen lijken veel op tubebijen en klokjesbijen. Zij metselen als enige wandjes tussen de cellen van hars. Zij halen dat bij coniferen. Die staan in veel tuinen. Ook de eindprop van een cel is van hars, maar daarin wordt zand en blad verwerkt. Andere insecten parasiteren op tronkenbijen. Ze leggen snel een eitje in een cel als een tronkenbij even weg is. Knotwespen, hongerwespen en muurrouwzwevers zijn altijd in de buurt. Zorg voor een bijenflat en ga op tuinsafari vanuit de tuinstoel.  

Peter van Dam 

Nieuwsbrief maart 2021

Nachtegaal – Luscinia megarhynchos

Ik kijk op televisie graag naar Vroege Vogels. Knap, hoe ze in betrekkelijk weinig tijd een natuurgebied portretteren en daarbij interessante soorten planten en dieren in beeld brengen. Toch past af en toe wel een kritische noot. In 2020 werd aandacht besteed aan het voorkomen van nachtegalen in de duinen, volgens de presentator en de gids nog de enige plek in Nederland waar je nog nachtegalen kunt zien en vooral horen. Onzin natuurlijk, want rond Zwolle zijn diverse plekken waar in het voorjaar nachtegalen hun zang laten horen. Westerveld en Landgoed Windesheim zijn bijvoorbeeld nachtegaal-rijke plekken.

Vanaf half april zingt de nachtegaal weer ‘in het theater van de natuur’. Veel natuurliefhebbers trekken er op uit om van deze zanger te genieten. Velen die vlakbij de zangplek van deze vogel wonen, vinden zijn nachtelijke optredens minder prettig! De nachtegaal zingt eerst om een vrouwtje te lokken. Tegelijkertijd moet de zang andere heren op afstand houden. Hij zingt ook ’s nachts. Is er een broedpaar gevormd, dan houden de nachtelijke concerten op. Maar … niet alle nachtegalen slagen daarin! De naam nachtegaal komt van het Germaanse ‘galan’. Dat betekent galmend zingen. De toevoeging nacht spreekt voor zich.

Componisten als Beethoven en Chopin zijn door de nachtegaal beïnvloed. Bij het componeren van hun muziekstukken maakten zij gebruik van zijn zang. Daarin zitten zelfs elementen, die al een eigen naam hebben gekregen. Zo is er het ‘fluitketeltje’, een lang aangehouden uihaal. Het is net alsof een ‘doedelzak’ wordt volgepompt om de zang te vervolgen. Ook is er de ‘druppelslag’, een aantal klokkende geluiden achtereen.

Onderzoekers hebben ongeveer 900 zelfstandige elementen vastgesteld in de zang van de nachtegaal. Elk mannetje gebruikt 120 tot 260 van die deuntjes. Ze leren die door te imiteren. Elk stukje duurt 2 tot 4 sec. Zoveel keus? Dan is de kans groot dat er ook dialecten zijn. In de vogelwereld komen dialecten vaak voor, maar de grote variatie aan mogelijkheden maakt de zang van de nachtegaal uniek.

De bovenzijde van de nachtegaal is warmbruin. De staart is roodbruin. De hals is grijsbruin en donkerder dan de lichte buik. Ons land telt ongeveer 7000 paartjes nachtegalen. Heel Europa telt er geschat ongeveer 11,5 miljoen. Nachtegalen broeden tussen brandnetels, onder struikgewas. Daar is het veilig en er leven veel voedseldiertjes. Nachtegalen hebben een hekel aan kletsnat, kurkdroog en verlaging van het grondwaterpeil. De nachtegaal wil het liefst open terrein met hier en daar een boom of struiken. In veengebieden broeden ze in wilgenstruweel.

Nachtegalen overwinteren in Zuid Afrika. In ons land ligt noordelijke grens van zijn broedgebied. Noordelijker broedt de Noordse nachtegaal. Die ziet er vrijwel hetzelfde uit, maar zijn zang is echt anders. Vergelijk de zang van beide vogels maar eens op Xeno Canto. Besteed dan gelijk tijd aan de zang van de blauwborst. Hij wordt vaak bastaardnachtegaal genoemd, maar dat is verkeerd. De blauwborst hoort ook bij het geslacht Luscinia en is daarmee ook een nachtegaal.

Peter van Dam

Nieuwsbrief februari 2021

Havik – Accipiter gentilis 

Vrouwtje tot 64 cm, veel groter dan een buizerd! Mannetje tot 56 cm, iets groter dan een buizerd. Kleine kop, korte en brede vleugels, lange staart. 

Volwassen vogels hebben fijne dwarsstrepen op hun borst. Jonge vogels hebben ‘druppelvlekken’. Naarmate haviken ouder worden, is hun streeptekening fijner. Volwassen vogels zijn blauwgrijs. Jonge vogels zijn vooral bruin. De kop heeft een opvallend brede witte wenkbrauwstreep. Haviksogen zijn eerst witgeel. Zij kleuren met elk levensjaar donkerder oranje. Tijdens de vlucht zie je brede heupen. De staart is licht afgerond. 

De havik wordt gemakkelijk verwisseld met de sperwer. Het mannetje wordt maar iets groter dan het vrouwtje van de sperwer. Haviken vliegen ogenschijnlijk minder snel. De staart van een sperwer eindigt niet rond, maar recht. Beide vogelsoorten jagen vooral op vogels. Haviken vangen ook haasachtigen en knaagdieren.

Zowel de havik als de sperwer hebben als geslachtsnaam Accipiter. Beide vogels horen bij de familie van de Accipitridae. Ofwel de familie van de haviken, sperwers of arenden. Bij deze familie horen ook de kiekendieven, de wouwen en de arenden. Omdat uiterlijk en manier van leven nogal verschillen verdelen vogelaars die enorme familie liever in kleine groepen met dezelfde namen.

Net als bij een aantal andere soorten roofvogels is het vrouwtje van de havik groter dan het mannetje. Dat is belangrijk in het broedseizoen. Als de jongen klein zijn, vangt het mannetje kleine prooien. Zodra de jongen groter zijn, is er behoefte aan grote prooien. Dan helpt het zwaardere vrouwtje bij het vangen ervan.

Eksters voorzien hun nest van een bolvormig dak vol doorntakken. Hiermee proberen zij hun jongen te beschermen tegen de havik. Jarenlang was dit dak niet nodig omdat er nauwelijks haviken waren. Na het gebruik van gifstoffen in de vorige eeuw was de havik bijna geheel verdwenen. Tegenwoordig zijn er weer haviken, maar hun aantal lijkt inmiddels weer te slinken.

Aan de grootte van de veren op een plukplaats kun je vaak al zien of de dader een havik was of een sperwer. Zijn de veren van een duif of een eend, dan moet hier wel een havik bezig zijn geweest. Sperwers vangen kleine prooivogels, zoals de koolmees. Zelf moeten haviken tegenwoordig ook oppassen. Er zijn oehoes in dit land!

Peter van Dam

Oude bijdragen: Peter van Dam