Bijdrage: Marlène Vaessen

Nieuwsbrief 5 – juni 2021

Da’s dubbelmooi!

Foto: Marlène Vaessen

Allereerst moet ik vertellen dat wij het geluk hebben een vakantiehuisje te hebben, vlak over de grens bij het Drielandenpunt, in België. Daar zien we regelmatig dassen in onze tuin en in de boomgaard daarachter. Nadat we telkens hoopjes in hun typische mestputjes vonden, kwam de eerste ontmoeting. Het was na de kerst en ik had een klein kerstboompje volgehangen met vetbollen voor de talrijke vogels. Ik keek vlak voor het slapen gaan even naar buiten en daar stond vlak voor mij een grote das rechtop die vetbollen te verorberen. Dat was wel even schrikken, voor hem en voor mij, zo’n groot dier rechtopstaand. Zo kwam ik vanzelf in de ban van deze bijzondere nachtdieren.
Regelmatig gingen we tegen de schemering posten op plekken bij de talrijke burchten in Limburg, mooi op afstand en dan hoorden we ze ritselen, soms zagen we ze ook. Toen we vorige zomer na de eerste lockdown voor de eerste keer weer terugkwamen, had hij onze tuin ingenomen als toilet: een enorme hoop dassenpoep waar iedere avond nog een hoopje bij werd gelegd, vol met kersenpitten. De keer erna had hij zich bedacht en er zelf zand overheen gegooid. Bedankt hoor das, dat hoefden we zelf niet meer te doen. Over die kersenpitten, zie de bijgevoegde foto. In de boomgaard staan kersenbomen en overdag zitten ze vol met spreeuwen en alle lijsterachtige vogels, die de kersen nauwelijks verwerkt krijgen, in de avond komen de dassen de gevallen resten opeten. Dus tegen die tijd altijd prijs, je gaat zitten in de buurt van de boom en ze komen vanzelf, trekken zich nauwelijks iets van je aan en zijn waarschijnlijk dizzy van de gistende kersen.

Gisteravond had ik mij in de auto verstopt om te kijken en warempel was het een vos, die 2 meter naast mij, alles opat. Die waarnemingen zijn altijd wel leuk om te vertellen, en al die graafputjes in de tuin van zijn graafwerkzaamheden op zoek naar voedsel vond ik geen probleem, maar ook dit bracht een keerzijde. Tot ik twee jaar geleden op een laag trapje stond en de kozijnen wilde gaan schuren en verven, wat onhandig sta met dat trapje en boink ik op de grond lag door zo’n “stom” dassenputje, grrr. Schouder gebroken en een spier gescheurd….  Maar dat kan ik die dassen toch niet kwalijk nemen, tja, je wilt altijd iemand de schuld geven in zo’n situatie, toch? Gelukkig ben ik er goed van genezen nu en blijf ik ze opzoeken.
Wat nu laatst aan de hand was in onze tuin in Koekange: al een paar keer was ons vrij grote grasveld in de tuin volkomen ondergraven door een dier, een das? Deze gaten waren wel erg groot en diep, veel groter dan die bij ons kleine huisje. De nachtcamera werd neergezet en na een paar keer hadden we de boosdoener op de film: een megagrote das! Perplex stonden we, ons lievelingsdier maakte de ravage! Maar och, hij is nu alweer 3 weken niet meer geweest, waarschijnlijk heeft hij alle emelten en de larven van de meikevers eruit gehaald, is het toch weer ergens goed voor geweest, bedankt das! En nu aan het werk bij een dassenwerkgroep.

Nieuwsbrief 4 – april

Foto: Marlène Vaessen

De kievitsbloemen​​ – Fritillaria meleagris

Hoe bijzonder is het om in of rondom Zwolle te wonen en de gelegenheid te hebben om deze zeldzame Zwolse tulpen in onze eigen omgeving te kunnen bewonderen. Want zeldzaam is de kievitsbloem! Het prachtige klokje is soms wit, maar meestal paars met een mooi patroon van vierkantjes, dat wel lijkt op een kievitsei! Vroeger werden er nog bossen vol geplukt, maar ja, uiteraard ook door de verdroging en bemesting, is er nog maar 5% van die hoeveelheid over. Maar gelukkig wordt er al jaren veel aan de bescherming gedaan. Het bolgewasje houdt van natte weiden en dan het liefst op kleigrond met een veenlaag eronder, die ’s winters onder water staan en zeker niet bemest wordt. Dan zit je wel goed in het rivierengebied rondom de Vecht, de IJssel en het Zwarte Water. De streek tussen Zwolle en Hasselt is de tweede grootste groeiplaats van de wereld, naast de nummer 1 langs de Loire in Frankrijk.  

Het plantje plant zich vooral voort door middel van zijn grote drijvende zaden. Als je goed kijkt, zie je ook veel alleenstaande bladeren zonder bloeistengels, want het duurt wel 7-8 jaar voordat er bloeistengels en bloemen gevormd worden, dat maakt hem extra kwetsbaar.

Wist je dat in het geval er striemende lenteregens over hem (of is het haar) heen komen, het klokje zich buigt tot op de grond om zichzelf te beschermen?

Ieder jaar zijn er speciale excursies om de prachtige weiden te bewonderen, maar in dit Coronajaar zal dat niet het geval zijn. Maar ga vooral zelf binnenkort op pad naar oa. de Buitenlanden Langenholte, vanaf het fietspad op de dijk bij camping de Agnietenberg kun je met een verrekijker de vele kievitsbloemen bekijken. Op verschillende plekken langs de Weteringen in Zwolle, bijvoorbeeld Nieuwe Wetering, langs het Zwarte Water en de Vecht kun je velden vol kievitsbloemen zien. Bij “de Brommerd” vlak voor Hasselt mag je een stukje wandelen en kun je ze van heel dichtbij bekijken, fotograferen of natekenen.
Kijk ook even op:

https://www.landschapoverijssel.nl/planten-en-dieren-op-je-erf/kievitsbloem

Nieuwsbrief 2 – 2021

Stinzenplanten

Het is eindelijk zover, de lente in zicht. We hebben al even mogen proeven aan de temperatuur en bij velen van ons beginnen dan de lentekriebels te komen. Bij mij ook en dan krijg ik zin om in de tuin te genieten en te zien of alle bolletjes al hun neuzen laten zien. En ja hoor, alles komt en gaat weer in het ritme van de seizoenen. De sneeuwklokjes, de winterakonieten en de krokusjes zijn er volop en de rest is onderweg. Het is de tijd van de stinzenplanten. Het is een bijzondere groep planten, verwilderde planten, die eigenlijk niet inheems zijn. Ze hebben zich wel gevestigd hier, groeien, bloeien en vermeerderen zich. Tot deze groep worden onder andere gerekend: sneeuwklokje, sterhyacint,sneeuwroem, winterakoniet, krokus, lenteklokje, zomerklokje, bosanemoon, gele anemoon,vingerhelmbloem, holwortel, boshyacint, wilde narcis, kievitsbloem, gewone vogelmelk en knikkendevogelmelk, lelietje der dalen en de gevlekte en Italiaanse aronskelk.

In de vorige eeuw ging men deze planten bestuderen en de eerste plek van studie werd de “Schierstins” in Veenwouden in Friesland. Daar stonden toen vele soorten. Stins betekende een stenen huis. In 1932 gebruikte de botanicus Botke de term stinzenplant als eerste en omdat de planten allemaal aan grote buitenplaatsen waren gebonden, werd deze term ingeburgerd voor de planten die alleen maar in die tuinen groeiden. Zo ontdekte men hun herkomst:

Eeuwen geleden trokken koopmannen naar Zuid- Europa, zagen op hun reizen prachtige planten en ze namen veel soorten mee om thuis in hun prachtige tuinen en landgoederen te planten. Het waren de bolletjes, knolletjes en wortelstokken die de lange tochten konden overleven en op menig landgoed kwamen ze tot bloei en verwildering. In die tijd was er veel belangstelling voor tuinen en met feesten en partijen gaf men elkaar stekken en bollen. Dat is de reden waarom je bij families of de notabelen in een dorp of stad dezelfde bollen zag. Veel soorten zijn inheems in Zuid-Europa of zelfs in Zuid-Limburg.
Het waren vooral voorjaarsplanten die konden profiteren van het licht, de ontwikkeling van groei, bloei en afsterven gaat in een paar maanden. In juni vinden wij niets meer terug van al die leuke voorjaarsbolletjes. Alle energie die hiervoor nodig is, zit in het bolletje of knolletje of de wortelstok. 

In het Engelse Werk zijn een heel aantal stinzenplanten te bewonderen en de tuin van basisschool “De Werkschuit” aan de Rijnlaan is één groot lentefeest. Landgoed Dickninge staat vol met bosanemonen en holwortel en als je toch in de buurt ben, neem dan ook het “Struunpad” in Koekangerveld mee, datvol zit met leuke soorten!
Wil je tuinieren met stinzenplanten, dan is het boek van Trudi Woerdeman beslist een aanrader: “Tuinieren met stinzenplanten”. https://www.sterkebollen.nl/tuinieren-met-stinzenplanten.html

Dus trek erop uit en geniet van al het mooie!

Oude bijdragen van Marlène Vaessen